Wie zingt mee?

Uitgave van de Nederlandse Zondagsschool Vereniging te Amsterdam, september 1954

 

 

Liedindex:

è    Lof en dank

1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11 12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42  43  44  45  46 

è    Advent en Kerst

47  48  49  50  51  52  53  54  55  56  57  58  59  60  61  62  63  64  65  66  67  68  69  70  71  72  73  74  75  76  77  78  79  80  81  82  83  84  85  86  87  88  89  90  91  92  93  94  95  96  97  98  99  100  101  102  103  104  105  106  107 

è    Lijdensweken

108  109  110  111 112  113 

è    Paasfeest

114  115  116  117  118  119  120  121  122  123 

è    Hemelvaart

124  125  126

è    Pinksterfeest

127  128  129  130  131  132  133 

è    Zendingsliederen

134  135  136  137  138  139  140  141  142  143  144 

è    Gebeden

145  146  147  148  149  150  151  152  153  154  155  156  157  158  159  160  161  162  163  164  165  166  167  168  169  170  171  172  173  174  175  176  177  178  179  180  181  182  183  184  185  

è    Algemeen christelijke lied

186  187  188  189  190  191  192  193  194  195  196  197  198  199  200  201  202  203  204  205  206  207  208  209  210  211  212  213  214  215  216  217  218  119  220  221  222  223  224  225  226  227  228  229  230  231  232  233  234  235  236  237  238  239  140  241  242  243  244  245  246  247  248 

è    Slotliederen

249  250  251  252  253  254  255 

è    Canons

256  257  258  259

 

 

LOF EN DANK

LIED 1: 1-4 De macht van Jezus’ liefde

1

  ‘k Aanbid de macht van uwe liefde,

  o Jezus! Die Gij openbaart,

  Die Gij, hoe snood men U ook griefde,

  Aan haat’ren zelfs niet hebt gespaard.

  ‘k Wil in die liefde mij verlusten

  en aan het hart mijns Heilands rusten.

2

  Hoe teder zijt Gij mij genegen,

  Hoe klopt Uw harte nu voor mij.

  Dies heb ik ook U lief gekregen,

  En juich ik in der heil’gen rei!

  O macht der liefde! Die Uw leven

  Voor mij hebt in de dood gegeven!

3

  Gij Zelf moet in het harte wonen,

  Voor U mijn hart slechts opengaan.

  Geen aardse macht, geen wereld tronen,

  Niets kan in Uwe schaduw staan.

  Bij U is rust, bij U zijn krachten.

  Van U zal ik mijn heil verwachten.

4

  Uw naam alleen zij klaar te lezen

  Tot in het diepst van mijn gemoed;

  Uw liefde moog’ slechts ’t voorwerp wezen

  Dat hart en lippen juichen doet.

  In woord en werken wil ik streven.

  Om Uwe liefde lof te geven!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 2: 1-4 Als ik maar weet

1

  Als ik maar weet, dat hier mijn weg

  Door U Heer, wordt bereid;

  En dat die weg, hoe moeilijk ook,

  Mij nader tot U leidt

  KOOR:

  Nader tot U, nader tot U

  Nader mijn Heiland, tot U!

  Als ik maar weet, dat alles hier

  mij nader brengt tot U

2

  Als ik maar weet, dat ook voor mij

  De Heer aan ’t kruishout stierf

  En dat de Heiland ook voor mij,

  Een levenskroon verwierf.

  KOOR:

3

  Als ik maar weet, Uw liefde o Heer,

  Vertroost mij van omhoog

  Dan dank ik U wat ook mijn lot

  Op aarde wezen moog’

  KOOR

4

  Als ik maar weet, ook als op aard’

  Mij droefheid wacht of kruis,

  Dat ieder kruis mij nader brengt

  Bij ’t eeuwig Vaderhuis.

  KOOR

 

Terug naar boven

 

 

LIED 3: 1-2 Lof aan God

1

  Blij klinken onze stemmen in tonen klaar en rein

  Tot eer van onze Vader, nu wij weer samen zijn.

  Of ’t winter is of lente, in bossen, wei of dal,

  Één  stemme klinkt ons tegen; Hoort: “God is overal!”

  KOOR:

  Overal, overal! Kind’ren, zingt Zijn naam ter eer!

  Al Zijn wonderwerken loven onze trouwe Hemelheer!

2

  Wij zien, hoe alle dagen Zijn trouwe hand ons leidt;

  Hij wil de weg ons wijzen, beschermt ons te allen tijd.

  En als weer de avond nadert en ’t duister worden zal,

  Bewaakt Hij hen die slapen, want God is overal!

  KOOR

 

Terug naar boven

 

 

LIED 4: 1-3 Dank aan de Vader

1

  Dank aan de Vader, Die Zijn scheps’len zegent;

  Vaderlijk zorgt Hij steeds trouw voor de mensen,

  bozen en goeden, Hij wil hen behoeden

  Dank U, o Vader!

2

  Dank aan de Heiland voor Zijn grote Liefde;

  Hij gaf Zijn leven voor ’t heil van de mensen;

  Ja, onze zonden sloegen Hem Zijn wonden

  Dank, Heere Jezus!

3

  Dank voor Uw leiding, Heil’ge Geest des Heeren!

  Trooster, gekomen tot Raad voor Gods Kind’ren.

  ‘k Mag al mijn dagen om Uw bijstand vragen.

  Dank, Geest des Heeren.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 5: 1-3 Morgenzang

1

  Dankbaarheid vervult mijn harte,

  Als ik zie, hoe Gij mij mint.

  Zoveel onverdiende gaven

  schenkt Gij daag’lijks aan Uw kind.

2

  Dank, o Heer, voor alle zegen,

  En verkwikking van de nacht;

  Wil mijn hulp en steun ook wezen

  bij de dagtaak, die mij wacht.

3

  Vaak schijnt mij het leven moeilijk,

  Maar met U ga ‘k rustig voort,

  Als een kind, dat vol vertrouwen

  Naar de stem zijns Vaders hoort.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 6: 1-4 Dankt, dankt de Heer

1

  Dankt, dankt de Heer!

  Wij danken de Heer;

  Hij is genadig:

  Zijn goedertierenheid blijft in der eeuwigheid,

  Blijft in der eeuwigheid, blijft in der eeuwigheid.

2

  Bidt, bidt Hem aan!

  Bidt aan onze Heer;

  Met diepe eerbied

  word’ steeds Zijn naam genoemd

  En eeuwiglijk geroemd! (3x)

3

  Looft, looft de Heer!

  Ja, looft, looft de Heer!

  Gij, mijne ziele!

  Vergeet, vergeet nooit een

  van Zijn weldadigheên! (3x)

4

  Zingt, zingt de Heer!

  Zingt lof onze Heer!

  Met blijde klanken.

  Genadig neigt hij ’t oor

  Naar ’t dankend kinderkoor. (3x)

 

Terug naar boven

 

 

LIED 7: 1-7 Dankt, dankt nu allen God

1

  Dankt, dankt nu allen God

  Met blijde feestgezangen!

  Van Hem is ’t heuglijk lot,

  Het heil, dat wij ontvangen.

  Hij ziet in Christus ons

  Altijd genadig aan,

  En heeft ons dag aan dag

  Met goedheid overlaân.

2

  Hij, d’eeuwig rijke God,

  Wil ons reeds in dit leven

  Zijn vreed’ en heilgenot,

  Als aan Zijn kind’ren geven,

  Hij zal ons door Zijn Geest

  vermeerd’ren licht en kracht

  en ons uit alle nood

  verlossen door Zijn macht.

3

  Lof, eer en prijs zij God

  Door aller scheps’len tongen,

  op Zijne hemeltroon

  aanbiddend toegezongen:

  de Vader en de Zoon,

  die met de Heil’ge Geest,

  Drieënig God, steeds blijft,

  En immer is geweest.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 8: 1-3 Ons loflied

1

  Dat ons loflied vrolijk rijze,

  Dat het klinke tot Uw eer;

  Dat der kind’ren mond U prijzen

  Voor Uw gunst en goedheid, Heer!
  Looft de Heer! (2x)

  Halleluja (3x)

  Zingt zijn eer!

2

  Boven bidden, boven denken

  Hebt Gij aan ons welgedaan,

  Neen, wij kunnen U niet schenken…

  Neem ons staam’lend lied slechts aan.

  Looft de Heer! (2x)

  Halleluja (3x)

  Zingt zijn eer!

3

  d’ Eng’len en der zaal’gen koren

  prijzen U in ’t Hemelhof.

  Ook naar kind’ren wilt Gij horen:

  Uit hun mond bereidt G’U lof.

  Looft de Heer! (2x)

  Halleluja (3x)

  Zingt zijn eer!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 9: 1 De wereld zingt Gods lof

1

  De wereld zingt Gods lof, Zing mee, o ziele mijn!

  Een dank en lofgezang moet heel uw wezen zijn.

  Het sterrenheir, de maan, de aarde en de zonnen,

  Zij prijzen God dat zij door Hem het zijn gewonnen,

  En uit der sferenklang,

  Ruist heilig een gezang:

  Heilig, heilig, heilig zijt Gij, Heer Zebaoth!

  Daar is geen ander God dan Gij, God Vader heilig!!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 10: 1-5 Duizend stemmen

1

  Duizend, duizend stemmen klinken zwak en luid.

  Jub’len samen ’t loflied van Gods schepping uit

2

  Bij het kleine nestje klinkt een liedje fijn;

  Zou dat niet een loflied voor de Schepper zijn?

3

  Maar ook ’t machtig bruisen van de grote zee

  Galmt in zware tonen ’t lief der schepping mee.

4

  Ook mijn kinderstemme mengt zich in dat koor.

  Al te zamen dringt het in de hemel door.

5

  God, die alles maakte, God, die alles ziet,

  Hoort naar al Zijn scheps’len, Hij vergeet ze niet.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 11: 1 Lofzang

1

  De lofzang rijst naar boven

  in ’t stille morgenuur,

  Om dankbaar Hem te loven,

  De Schepper der natuur.

  Van Hem daalt alles neder,

  De Vader trouw, en teder,

  Houdt over ons de wacht,

  Houdt over ons de wacht

  Bij dag en nacht,

  Bij dag en nacht.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 12: 1-4 Een trouwe Vriend woont in de hemel

1

  Een trouwe Vriend woont in de hemel,

  Zoals de wereld die niet biedt;

  Want onder al het aards gewemel

  Bestaat er zulk een vriendschap niet.

  Daarom, wie ook de wereld, dient,

  Mijn Jezus is mijn beste Vriend.

2

  De mensen zijn gelijk de baren,

  Maar Jezus’ trouw houdt eeuwig stand;

  Hij wil voor vallen mij bewaren,

  En leidt mij voort aan Zijne hand.

  Nee, wereld, ‘k zeg Uw vriendschap af,

  Mijn Jezus is mijn stut en staf.

3

  Al ’s wereld schijnbaar goede gaven,

  Zijn ’t deel van wie haar ’t meeste geeft;

  Maar eenmaal zeker zien haar slaven

  Hoe deerlijk zij bedrogen heeft.

  Nee, wereld, ‘k heb mijn woord verpand,

  Mijn Jezus gaf ik hart en hand.

4

  Mijn Heiland liet zich voor mij doden,

Vergoot voor mij Zijn dierbaar bloed,

Heeft mij gered uit alle noden,

Mijn zonden aan het kruis geboet.

Nee wereld, wat g’ aan schoons mij biedt,

‘k verlaat voor u mijn Heiland niet.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 13: 1-4 Ere zij aan God, de Vader

1

  Ere zij aan God, de Vader,

  Ere zij aan God, de Zoon,

  Eer de Heil’ge Geest, de Trooster,

  De Drieëen’ge in Zijn troon.

  Halleluja, halleluja

  De Drieëen’ge in Zijn troon!

2

  Ere zij aan Hem, wiens liefde

  ons bevrijdt van elke smet,

  ere zij aan Hem, die zondaars

  in de rij van koon’gen zet.

  Halleluja, halleluja

  ’t Lam dat vrijkocht en dat redt!

3

  Ere zij de Heer de eng’len,

  Ere aan de Heer der Kerk,

  Ere aan de Heer der volk’ren

  Aard’ en hemel looft uw werk!

  Halleluja, halleluja

  Looft de Koning en Zijn werk!

4

  Halleluja, lof, aanbidding

  Brengen eng’len U ter eer,

  Heerlijkheid en kracht en machten

  Legt Uw schepping voor U neer.

  Halleluja, halleluja,

  Lof zij U, der heren Heer!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 14: 1-3 Er ruist langs de wolken

1

  Er ruist langs de wolken een lieflijke naam,

  Die hemel en aarde verenigt te zaâm,

  Geen naam is er zoeter En beter voor ’t hart;

  Hij balsemt de wonden en heel alle smart.

  Kent gij, kent gij die naam nog niet?

  Die naam draagt mijn Heiland, mijn lust en mijn lied

2

  Die naam is naar waarheid mijn Jezus ook waard,

  Want Hij kwam om zalig te maken op aard.

  Zo lief had Hij zondaars dat Hij voor hen stierf,

  Genade bij God door Zijn zoenbloed verwierf.

  Kent gij, kent gij, die Jezus niet,

  Die om ons te redden de Hemel verliet.

3

  Eens buigt zich ook alles voor Jezus in ’t stof,

  En engelen zingen voortdurend Zijn lof;

  O, mochten wij allen om Jezus eens staan,

  Dan hieven wij juichend de jubeltoon aan:

  Jezus! Jezus! Uw naam zij d’eer!

  Want Gij zijt der mensen en engelen Heer!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 15: 1-3 Geeft ere de Heere

1

  Geeft ere de Heere,

  wie ouden en jongen

  ’t hosanna eens zongen!

  Eer de Heer!

    Met Uw zegen moogt Gij komen,

    Gij, o Hoop van Isrels vromen!

    Hosanna! Hosanna!

    Heiland, Davids Spruit en Trots,

    In de heil’ge naam uws Gods!

  Geeft ere de Heere,

  Wie ouden en jongen

  ’t hosanna eens zongen!

  Eer de Heer!

2

  Geeft ere de Heere,

  wie ouden en jongen

  ’t hosanna eens zongen!

  Eer de Heer!

    In des hemels hoge kringen

    Hoort Gij U het loflied zingen:

    Hosanna! Hosanna!

    Mens en eng’len stemmen saam

    In de lof van Uwe naam!

  Geeft ere de Heere,

  Wie ouden en jongen

  ’t hosanna eens zongen!

  Eer de Heer!

3

  Geeft ere de Heere,

  wie ouden en jongen

  ’t hosanna eens zongen!

  Eer de Heer!

    ’t Volk van Juda strooide palmen,

    zong U toe zijn jubel psalmen.

    Hosanna! Hosanna!

    Met gezangen en gebeên

    Ziet Gij ons thans tot U treên.

  Geeft ere de Heere,

  Wie ouden en jongen

  ’t hosanna eens zongen!

  Eer de Heer!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 16: 1-3 God zorgt voor mij

1

  God, Die alles maakte,

  De lucht en ’t zonlicht blij,

  De heem’len, zee en aarde,

  Zorgt ook voor mij.

2

  God, Die ’t gras gemaakt heeft,

  De bloempjes in de wei,

  De bomen, vruchten, vogels,

  Zorgt ook voor mij.

3

  God, Die alles maakte,

  De maan, de sterren rij,

  Als duist’re wolken komen,

  Zorgt steeds voor mij.

 

Terug naar boven

 

 

 

 

LIED 17: 1-3 God is getrouw

1

God is getrouw. Zijn hart, Zijn Vader hart

Is vol barmhartigheid.

God is getrouw in voorspoed en in smart,

In goed’ en kwade tijd.

Nooit zal, al zouden bergen wijken,

De grond van mijn geloof bezwijken!

God is getrouw.

2

  God is getrouw. Vol liefde rust Zijn oog

Steeds wakend ook op mij.

Wanneer ik roep, dan hoort Hij van omhoog

Met godd’lijk medelij.

Wat ons te zwaar is,m helpt Hij dragen,

En eenmaal stilt Hij alle klagen.

God is getrouw.

3

  God is getrouw. Mijn ziel, vergeet Hem niet

in vreugde noch in pijn.

Het is de wil van Hem, die ’t al gebiedt,

Dat gij Zijn zult zijn.

Houd vast aan God! Blijf Hem geloven!

Laat nooit de een’ge troost u roven!

God is getrouw.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 18: 1-3 God is groot

1

  God is groot. Ik weet, dat Hij

Hoger is dan alle goôn.

Onze God voert heerschappij,

Hij beheerst van Zijne troon,

Hemel, afgrond, zee en aard’.

God is aller hulde waard.

2

  Van geslachte tot geslacht

Wordt naar onze dure plicht,

Bij het volk Uw gunst herdacht,

Wijl Gij zelf, o Heer, hen richt

En aan hen, schoon diep in schuld,

Met berouw gedenken zult.

3

  Sion, loof met dankb’re stem

God uw heer, die eeuwig leeft

En het schoon Jeruzalem

Door Zijn woning luister geeft.

Loof Hem voor uw heilrijk lot,

Loof al juichend uwe God.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 19: 1-2 God is machtig

1

God is machtig, God is goed!

Komt tot Hem gevloden.

God is machtig, God is goed!

Komt tot Hem gevloden.

Altoos vindt

’t hulploos kind

Vreed’ en mild erbarmen,

In Zijn Vader armen!

2

  Stort het uit, het vol gemoed,

Klaag Hem al uw noden.

Stort het uit het volgemoed,

klaag Hem al uw noden.

Altoos vindt

’t hulploos kind

Vreed’ en mild erbarmen,

In Zijn Vader armen!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 20: 1-3 God is mijn licht

1

God is mijn licht, God is mijn heil

Hem heb ik mij verkozen.

Hij is de kracht, waarheen ik ijl,

Hij laaft m’ als de rozen.

Wat beef ik dan? Wat vreze-ik nog?

Geen schepsel kan mij deren toch,

Geen mens op heel de wereld.

2

Zo mij de boze met geweld

Aanvalt en wil verslinden,

Zo kan hem God, de sterke Held,

Wel zelf verslaan en binden.

En zo ook heel een legerschaar

Rondom mij en mij tegen waar,

Hem kan die nooit verwinnen.

3

Heer, wil mij leiden langs uw paân,

Behoude me-in Uw genade

En neem mijn ziel in liefde aan,

Dat nooit me-een vijand schade.

De bozen heb ik tegen mij,

Zo hard en zonder medelij,

Wijl hen geen schroom kan binden.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 21: 1-2 Gods eng’len loven Hem

1

Gods eng’len loven Hem,

Gods eng’len danken Hem

Met blijde, sterkte stem.

Hun heilig koor in stralend licht,

Zingt met omsluierd aangezicht:

heilig, heilig, heilig is onze God!

De Heere Zebaoth!

2

Aan Hem te allen tijd,

Aan Hem in eeuwigheid

De rijkste lofgewijd.

Tot verre eeuw verflauwe niet,

Het aan het Lam gewijde lied:

Amen, amen, amen

Halleluja, halleluja, amen!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 22: 1-3 Grote God wij loven U

1

Grote God wij loven U,

Heer, o sterkste aller sterken!

Heel de wereld buigt voor U,

En bewondert Uwe werken.

Die Gij waart ten allen tijd,

Blijft Gij ook in eeuwigheid.

2

Alles wat u prijzen kan,

U, de eeuw’ge, Ongeziene,

Looft Uw liefd’ en zingt er van!

Alle Eng’len, die U dienen,

Roepen U nooit lovensmoe:

“Heilig, heilig, heilig” toe!

3

Heer, ontferm U over ons,

Open Uwe Vader armen,

Stort Uw zegen over ons,

Neem ons op in Uw erbarmen!

Eeuwig blijft Uw trouw bestaan…

Laat ons niet verloren gaan!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 23: 1-3

1

Gij ’s Heeren knechten, looft de Heer,

Looft Zijne naam, verbreidt Zijn eer,

De naam des Heeren zij geprezen!

Zijn roem zij door ’t heelal verbreid

Van nu tot in all’ eeuwigheid,

Men loov’ ’t aanbidd’lijk Opperwezen!

2

Van waar de zon in ’t oosten straalt

Tot waar z’ in ’t westen nederdaalt,

Zij ’s Heeren name lof gegeven.

De Heer is boven ’t heidendom

Zijn heerlijkheid, bekend alom,

Is boven zon en maan verheven.

3

Wie is gelijk aan onze Heer,

aan God die tot Zijn eeuwig’ eer

Zijn troon gevest heeft in de hemel?

Die daar Hij ’t wereldrond gebiedt

Van Zijne hoge zetel ziet

Op ’t laag en nietig aards gewemel?

4

Wie is aan onze God gelijk,

Die armen opricht uit het slijk,

Nooddruftigen van elk verstoten

Goedgunstig opheftuit het stof

En hen verrijkt met eer en lof,

Naast prinsen plaatst en wereldgroten?

 

Terug naar boven

 

 

LIED 24: 1 Drieënigheid

1

Halleluja! Halleluja!

Ere zij aan God de Heer;

Halleluja de Verlosser,

Hem zij eeuwig dank en eer;

Halleluja aan de Geest,

Bron van liefd’ en heiligheid!

Halleluja! Halleluja!

Aan de hoogste Majesteit!

Amen

 

Terug naar boven

 

 

LIED 25: 1-10

1

‘k Heb geloofd en daarom zing ik

daarom zing ik van gena,

van ontferming en verlossing

door het bloed van Golgotha;

Daarom zin g ik U, Die stervend

Alles, alles hebt volbracht,

Lam Gods, dat de zonde weg neemt,

Lam van God, voor ons geslacht!

2

‘k Heb geloofd in U Wien d’ aarde

met haar doornen heeft gekroond;

Maar Die nu, gekroond met ere,

Aan Gods rechter zijde troont;

U, aan Wiens doorboorde voeten

Eenmaal in het gans heelal,

Heer, daar boven, hier beneden

Alle knie zich buigen zal.

3

Ja, ‘k geloof en daarom zing ik

Daarom zing ik U ter eer.

’s Werelds Heiland, Hogepriester,

aller heren Opperheer!

Zoon van God en Zoon des mensen,

O, kom spoedig in Uw kracht

Op des hemels wolken weder!

Kom, Heer Jezus, Kom! Ik wacht.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 26: 1-4 Heilig, heilig, heilig

1

Heilig, heilig, heilig

Heere God almachtig,

Vroeg in de morgen wordt U mijn zang gewijd.

Heilig, heilig, heilig,

liefdevol en machtig,

Drieënig God, die één in wezen zijt.

2

Heilig, heilig, heilig

Al de heil’gen knielen,

neigend hunnen kroon voor d’ Koning van ’t heelal;

Ook de heil’ge eng’len

vallen voor Hem neder,

Die was en is en eeuwig wezen zal.

3

Heilig, heilig, heilig

Gij blijft ons verborgen,

Wijl voor zondig’ ogen Uw glans verdwijnt in nacht.

Gij alleen zijt heilig

geen is Uws gelijke,

Volmaakte liefde, heiligheid en macht.

4

Heilig, heilig, heilig

Heere God almachtig,

Heel de schepping prijst U in aard’ en hemel wijd.

Gij alleen zijt heilig,

Liefdevol en machtig,

Drieënig God, die één in wezen zijt.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 27: 1 Ik ben verblijd

1

Ik ben verblijd, wanneer men mij

Godvruchtig opwekt: “Zie wij staan

Gereed om naar Gods huis te gaan.

Kom, ga met ons en doe als wij!”

Jeruzalem, dat ik bemin,

Wij treden uwe poorten in;

Daar staan, o Gods stad, onze voeten.

Jeruzalem is wèl gebouwd,

Wèl saamgevoegd: wie haar beschouwt,

Zal haar voor ’s Bouwheers kunstwerk groeten.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 28: 1-3 Ik loof eerlang U…

1

Ik loof eerlang U in een grote schaar,

En wat ik U beloofd’ in ’t heetst gevaar,

Betaal ik op het heilig dankaltaar,

Bij die U vrezen.

’t Zachtmoedig volk zal rijk verzadigd wezen,

ten dis geleid.

Wie God zoekt, zal Hem prijzen.

Zo leev’ uw hart door ’s hemels gunst bewijzen.

In eeuwigheid.

2

Eerlang gedenkt hier aan het wereldrond;

Haast wendt het zich tot God met hart en mond,

En waar men ooit de wildste volken vond,

Zal God ontvangen.

Aanbidding, eer en dankb’re logezangen,

Want Hij regeert en zal Zijn almacht tonen:

Hij heerst, zover de blindste heid’nen wonen,

Tot Hem bekeerd.

3

Zij komen aan, door Godd’lijk licht geleid,

Om ’t nakroost, dat de Heer wordt toebereid,

Te melden ’t heil van Zijn gerechtigheid

En grote dagen.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 29: 1-2 Juicht, o volken, juicht

1

Juicht, o volken, juicht,

Handklapt en betuigt

Onze God uw vreugd,

Weest te zaâm verheugd,

Zingt des Hoogsten eer,

Buigt u voor Hem neer.

Alles ducht Zijn kracht,

Alles vreest Zijn macht.

Zijne Majesteit

Maakt haar heerlijkheid

Over ’t rond der aard’

wijd en zijd vermaard.

2

God vaart voor het oog

Met gejuich omhoog;

’t schel bazuingeluid

galmt Gods glorie uit.

Heft de lofzang aan,

Zingt Zijn wonderdaân,

Zingt de schoonste stof,

Zingt des Konings lof

Met een zuiv’re galm

Met een blijde psalm:

Hij de Vorst der aard’,

Is die hulde waard.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 30: 1-2 Hosanna, zingt de Heer

1

Kleine kind’ren, prijst de Heiland!

Uit de hemel ziet Hij neer;

Prijst Hem voor Zijn grote liefde,

Geeft de trouwe Heiland eer.

Zingt Hosanna! zingt Hosanna!

Zingt tot lof van Jezus’ naam.

2

Moeders brachten Hem haar kind’ren

Lieve kind’ren teer en klein;

Jezus nam hem in Zijn armen

En Hij zegende – iedereen.

Zingt Hosanna! Zingt Hosanna!

Zingt tot lof van Jezus’naam.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 31: 1-3 Laat ons de rustdag wijden

1

Laat ons de rustdag wijden

Met psalmen tot Gods eer.

’t Is goed, o Opperheer,

dat w’ ons in U verblijden.

’t Zij d’ uchtend stond vol zoetheid

ons stelt Uw gunst in ’t licht,

’t zij ons de nacht bericht

van Uwe trouw en goedheid,

2

’t Voegt ons met blijde klanken

door ’t voorbedachte lied

Hem, die het al gebeidt,

Op harp en luit te danken.

Gij hebt door Uw vermogen,

O Heer, mijn hart verheugd;

Ik zal verrukt van vreugd,

Uw grote daân verhogen.

3

Hoe groot zijn, Heer, Uw werken,

Hoe ver gaat Uw beleid!

Gij stelt met mogendheid

Elke deel zijn juiste perken.

Een ziel, aan ’t stof gekluisterd,

Beseft Uw daden niet:

Geen dwaas weet wat hij ziet,

Zijn oordeel is verduisterd.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 32: 1-3 Loof, loof de Heer

1

Loof, loof de Heer,

De beste Vriend der kind’ren!

Hij roept u, komt

Laat u door niets verhind’ren.

Loof, loof de Heer!

Loof, loof de Heer!

2

Loof, loof de Heer,

Wie naar Zijn stem wil horen,

Heeft Hij tot eeuw’ge

Blijdschap uitverkoren.

Loof, loof de Heer!

Loof, loof de Heer!

3

Eens komt de tijd,

Dat w’ op volmaakte wijzen

In zaligheid,

U, lieve Heiland prijzen.

Loof, loof de Heer!

Loof, loof de Heer!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 33: 1-3 Loof nu de Heere, o mijne ziele

1

Loof nu de Heere, o mijne ziele!

Ik wil Hem loven tot de dood.

Ik wil Hem loven wat mij geviele,

Van morgenrood tot avondrood.

Wie lijf en ziel zo mild ons gaf,

Worde geprezen tot het graf.

Halleluja, Halleluja!

2

Mijn God heeft hemel en zee en aarde

Gemaakt en al wat daarin leeft.

En alles wordt vervuld op aarde,

Wat Hij ons toebeschoren heeft.

Hij is de Heerser overal,

Hij, die ik eeuwig loven zal.

Halleluja, Halleluja!

3

Zalig, ja, zalig is zijn verblijden,

Wiens hulp de Heer van Jacob is.

Die van ’t gelove zich niet laat scheiden,

En vindt in God zijn lafenis.

Wie zich door God beschermen laat,

Vindt allerbeste raad en daad.

Halleluja, Halleluja!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 34: 1-5 Lof zij de Heer

1

Lof zij de Heer, de almachtige Koning de ere!

Dat aard’ en hemel de lof Zijner glorie vermere!

Meng in ’t geklank,

Ziel, uw aanbiddende dank:

Zing’ al wat ademt de Heere!

2

Lof zij de Heer, die de werelden dacht en zij waren,

Die al de dropp’len geteld heeft der golvende baren,

Die met Zijn staf

Heerst van de wieg tot het graf:

Psalmzing’ uw hart met de snaren!

3

Lof zij de Heer, die u bootst’ uit vergank’lijke aarde,

Maar al Zijn volheid uw eeuwige geest openbaarde!
Hij had u lief,

Die tot Zijn kind u verhief,

Hoger dan d’ eng’len in waarde.

4

Lof zij de Heer, van wiens leiding de sterren gewagen,

Die ook uw leven op adelaarswiek heeft gedragen:

Breed en geducht

Was Zijn aanbidd’lijke vlucht,

Ruisend met machtige slagen!

5

Lof zij de Heer, die uw bevende vreed zal beschamen!

Noem Hem uw Vader, de kroon van Zijn heerlijke namen!

Dwars door de dood

Neemt Hij u op in Zijn schoot:

Loof Hem in eeuwigheid! AMEN.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 35: 1-3 Looft God, looft Zijn naam alom

1

Looft God, looft Zijn naam alom,

Looft Hem in Zijn heiligdom,

Looft des Heeren grote macht

In de hemel Zijner kracht;

Looft Hem om Zijn mogendheden,

Looft Hem naar zo menig blijk

Van Zijn heerlijk koninkrijk,

Voor Zijn troon en hier beneden!

2

Looft God met bazuingeklank,

Geeft Hem eer, bewijst Hem dank,

Looft Hem me de trom en fluit,

Looft Hem op uw blijde snaren!

Laat zich ’t orgel òveral

Bij het juichend vreugdgeschal

Tot deze Heeren glorie paren!

3

Looft God naar Zijn hoog bevel

Met het klinkend cymbelspel,

Looft Hem op het schel metaal

Van de vrolijke cimbaal,

Looft de Heer, elk moet Hem eren!

Al wat geest en adem heeft,

Looft de Heer, die eeuwig leeft,

Looft verheugd de Heer der heren!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 36: 1-2 ’s Heilands liefde

1

Nu wil ik blij van ’s Heilands liefde zingen;

En dankbaar melden, wat Hij deed voor mij:

Met trouwe zorgen wil, Hij mij omringen;

Door heel mijn leven staat Hij mij ter zij.

2

Aan al Zijn kind’ren schenkt Hij ’t eeuwig leven,

Maar gaf Zichzelve daarvoor in de dood,

Nu wil ik Hem mijn dank en ere geven,

Want ’s Heilands liefde is oneindig groot!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 37: 1 Oog en hart naar boven!

1

Oog en hart naar boven!

God is in ons midden,

Laat ons diep in ’t stof aanbidden!

God is tegenwoordig,

Alles in ons zwijge,

Dat Zijn stem gehoor verkrijge,

Wie Hem mint,

Wie Hem vindt,

sla zijn ogen neder,

  geev’ zijn hart Hem weder.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 38: 1-4 Danklied

1

Rijz’ opwaarts naar boven

Met vrolijk geklank,

Het loflied van kind’ren

De Schepper tot dank!

Zijn weldaân omringen

Ons, waar wij ook gaan.

Zijn liefde verzelt ons

Op al onze paân.

2

Zie, hoe aan de morgen

Het vogeltje springt,

En lustig en vrolijk

Gods liefde bezingt.

Die ’t zonlicht deed rijzen,

Die d’ aarde bekleedt,

en onder Zijn scheps’len

geen enkel vergaat.

3

  Hij schonk ons het leven,

  Zo rijk in genot:

  Hij kroonde met zegen

  Ons kinderlijk lot.

  Geen dag rees ter kimme,

  Of rijk gaf Hij stof,

  Om ’t lied te doen horen,

  Zijn goedheid tot lof.

4

  En wij zouden zwijgen,

  Die eindeloos meer

  De liefde genieten

  Van God onze Heer?

  Neen! ’t Loflied moet klinken

  Hoe zwak het moog’ zijn,

  Totdat ons de lichtglans

  Des hemels omschijn!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 39: 1 U alleen, U loven wij

1

  U alleen, U loven wij:

  Ja, wij loven U, o Heer,

  Want Uw naam, zo rijk van eer,

  Is tot onze vreugd nabij.

  Dies vertelt men in ons land

  Al de wond’ren Uwer hand.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 40: 1-3 Van boven moet het alles komen

1

  Van boven moet het alles komen,

  Wat leven wekt en leven voedt;

  Van boven zijn de regenstromen,

  De morgendauw en zonnegloed;

  En hoger nog dan dauw en regen,

  Ontspringt de bron van eeuw’ge zegen.

  En hoger nog dan dauw en regen,

  Ontspringt de bron van eeuw’ge zegen.

2

  Van boven moet het alles komen,

  Wat lager opwelt, heeft geen kracht;

  Wat hier bestendig op zal schieten,

  Moet eerst van boven zijn gebracht!

  Begiet uw bloemen, plant uw bomen,

  De wasdom moet van boven komen.

  Begiet Uw bloemen, plant uw bomen,

  De wasdom moet van boven komen.

3

  Ja, boven moet het heerlijk wezen!

  Want dar komt zoveel schoons vandaan!

  Die uit het graf is opgerezen,

  Is ons naar boven voorgegaan!

  Daarheen dan hart en hand geheven!

  Daar is het volle, rijke leven!

  Daarheen dan hart en hand geheven!

  Daar is het volle, rijke leven!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 41: 1-6 Van U zijn alle dingen

1

  Van U zijn alle dingen,

  Van U, o God, alleen,

  Van U de zegeningen,

  O Hoorder der gebeên!

  Uw liefd’ en trouw omringen

  Mijn wankelende schreen,

  En wat w’ ooit goeds ontvingen,

  Het is van U alleen!

2

  Gij riep mij in het leven

  Tot Uwe heerlijkheid;

  Gij hebt m’ Uw woord gegeven

  Tot mijne zaligheid;

  Gij hebt in vruchtb’re dreven

  Mij trouwelijk geleid,

  En mij een hoorn verheven

  Van heil, door U bereid.

3

  Gij wacht niet tot wij vragen,

  Voorkomt zelfs onze beê,

  Gij helpt niet enkel dragen,

  Maar draagt ons zelve mee.

  Gij heelt zelfs in Uw plagen,

  Vertroost ons in het wee,

  En onder alle slagen

  Schenkt Gij aan ’t hart Uw vreê.

4

  Hoe kent Gij al mijn noden,

  Waarin Gij trouw voorziet!

  Gij geeft geen steen voor broden,

  Een slang voor vissen niet!

  Wie komt tot U gevloden,

  Wie Gij geen hulpe biedt!

  Gij laat de zondaar noden,

  Nog eer hij tot U vliedt.

5

  O mocht ik U beminnen,

  Gelijk Gij mij bemint.

  En heil’ge vrees van binnen

  Mij leiden als Uw kind!

  Mocht ik die rijkdom winnen,

  Die roest noch mot verslindt,

  En werden nooit mijn zinnen

  Door ijd’le glans verblindt!

6

  U zal ik eeuwig eren,

  Die eeuw’ge goedheid zijt!

  U blijv’, o Heer der heren,

  Geheel mijn hart gewijd!

  Wat kan ik niet ontberen,

  Wanneer Uw hand mij leidt,

  Wat vuriger begeren

  Dan Uwe heerlijkheid!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 42: 1-2 God zorgt voor mij.

1

  Wanneer het gouden zonnelicht

  In al zijn schoonheid straalt,

  Als d’ aard met vriend’lijk aangezicht

  Met al haar kleuren praalt,

  Dan zie ik hoe mijn Vader mij

  Met liefd’ en zorg omringt;

  Dan is het alles even blij,

  En heel de schepping zingt

2

  Maar ook wanneer het donker is,

  Als ’t nacht wordt om mij heen,

  Wanneer ik alle vreugde mis,

  Dan ben ik niet alleen.

  Dan weet ik, dat mijn Vader mij

  Ook in mijn droefheid ziet,

  Dan is Hij met Zijn troost nabij

  En Hij verlaat mij niet.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 43: 1-3 Onze beste Vriend

1

  Welk een vriend is onze Jezus,

  Die in onze plaats wil staan!

  Welk een voorrecht, dat ik door Hem,

  Altijd vrij tot God kan gaan.

  Dikwijls derven wij veel vrede,

  Dikwijls drukt ons zonde neêr,

  Juist omdat wij ’t al niet brengen,

  In ’t gebed tot onze Heer.

2

  Leidt de weg soms door verzoeking,

  Dat ons hart in ’t strijduur beeft,

  Gaan wij dan met al ons strijden

  Tot Hem, die verlossing geeft.

  Kan een vriend ooit trouwer wezen,

  Dan Hij die ons lijden draagt?

  Jezus wil ons steeds genezen,

  Hij alleen is ’t die ons schraagt.

3

  Zijn wij zwak belast, beladen,

  En ter neêrgedrukt door zorg!

  Dierb’re Heiland, onze Toevlucht!

  Gij zijt onze Hulp en Borg.

  Als soms vrienden ons verlaten,

  Gaan wij biddend tot de Heer.

  In Zijn armen zijn wij veilig.

  Hij verlaat ons nimmer meer.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 44: 1-3 Wilt heden nu treden

1

  Wilt heden nu treden voor God, de Heere,

  Hem bovenal loven van harte zeer,

  En maken groot Zijns lieve namens ere,

  Die daar nu onze vijand slaat terneer!

2

  Ter ere ons Heere wilt al uw dagen

  Dit wonder bijzonder gedenken toch!

  Maakt u, o mens, voor God steeds wel te dragen,

  Doet ieder recht en wacht u voor bedrog.

3

  Bidt, waket en maket, dat g’ in bekoring

  En ’t kwade met schade toch niet en valt.

  Uw vroomheid brengt de vijand tot verstoring,

  Al waar’ zijn rijk nog eens zo sterk bewald!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 45: 1-6 Zingt nu de macht van Jezus’ naam

1

  Zingt nu de macht van Jezus’ naam!

  Knielt eng’len voor Hem neer!

  Verkondigt door het groot heelal,

  Dat Jezus is de Heer,

  Dat Jezus is de Heer!

2

  Der martelaren zuiver lied

  Klink’ mee in zaal’ger sfeer,

  Belijdend voor de troon van God

  Dat Jezus is de Heer,

  Dat Jezus is de Heer!

3

  Gij kind’ren  van ’t aloude  volk

  Geeft uw Messias d’ eer,

  En roemt als ’t ware Israël

  Dat Jezus is de Heer,

  Dat Jezus is de Heer!

4

  Verloste zondaars, die gedenkt

  Aan Zijn erbarmen teer,

  Betuigt ook gij en roept het uit,

  Dat Jezus is de Heer,

  Dat Jezus is de Heer!

5

  Laat elke tong en elk geslacht.

  Op aarde telke keer,

  Verkondigen met luider stem,

  Dat Jezus is de Heer,

  Dat Jezus is de Heer!

6

  O, hemel aard’ en zee, vertelt

  Zijn majesteit, Zijn eer,

  Totdat eens ’t groot heelal belijdt,

  Dat Jezus is de Heer,

  Dat Jezus is de Heer!

  AMEN

 

Terug naar boven

 

 

LIED 46: 1-4 Zij die de zee bevaren

1

  Zij, die de zee bevaren

  Met schepen rijk bevracht,

  Zien op de grote baren

  Gods wijsheid, gunst en macht.

  Daar leren zij de daân

  Des Heeren klaar bemerken

  En in de diepe paân

  Zijn grote wonderwerken.

2

  Hij wekt met slechte te spreken

  Een stormwind voor hun oog.

  Dan beeft het al, dan steken

  De golven ’t hoofd omhoog.

  Nu ziet men ’t schip de lucht,

  Dan weer de afgrond naad’ren.

  Hun hart geeft zucht op zucht,

  Hun bloed verstijft in d’ aad’ren.

3

  Hij doet de storm bedaren,

  De golven zwijgen stil.

  Nu rijst de vreugd, de baren

  Zijn effen op Gods wil.

  Nu wijkt verslagenheid

  Na zoveel angstig slaven,

  Daar God hen veilig leidt

  In hun begeerde haven.

4

  Laat zulken eer bewijzen

  Aan ’s Heeren gunst en macht

  En al Zijn wond’re prijzen

  Voor ’t menselijk geslacht,

  En dankbaar bij ’t gemeen

  God hun Verlosser noemen,

  En bij ’s lands Overheên

  Zijn naam en deugden roemen!

 

Terug naar boven

 

 

ADVENT EN KERST

LIED 47: 1-3 Kerstlied

1

  Al was des hemels gloed geblust,

  En zweeg der Eng’len stem,

  Het liet de herders niet met rust

  In ’t veld van Bethlehem;

  Zij zochten in de donk’re nacht

  Het Kind, all’ eeuwen door verwacht:

  Gods eigen Zoon, Halleluja!

  Geschonken uit genâ.

2

  O wonder! In de kribbe lag,

  Zeer armlijk op het stro,

  Het Kind, waar David reeds op zag,

  En meer dan Salomo.

  Toen hebben zij met blijde mond

  De komst van ’t Kind alom verkond:

  Gods eigen Zoon, Halleluja!

  Geschonken uit genâ.

3

  En waar die blijde boodschap kwam,

  Daar trof zij elks gemoed,

  De vrome, die hun woord vernam,

  Dee ’t aan de ziele goed.

  Want wie God zelf dat leert verstaan,

  Die neemt Hem heilbegerig aan:

  Gods eigen Zoon, Halleluja!

  Geschonken uit genâ.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 48: 1-3 Bethlehem Efrata

1

  Bethlehem Efrata!

  Kleinste der klenen,

  Onder de duizend van Juda’s gebied,

  Onder de duizend van Juda’s gebied;

  U is de Heerser der volken verschenen,

  Die eens vrijwillig Zijn rijkstroon verliet.

  Hoe onaanzienlijk uw plaats dan ook zij,

  Toch niet de minste van Juda zijt gij!

  Toch niet de minste van Juda zijt gij!

2

  Bethlehem Efrata!

  Gij werd verkoren

  Tot ene woonplaats van Christus de Heer,

  Tot ene woonplaats van Christus de Heer;

  Want in uw midden werd Jezus geboren,

  Die ik als Koning begroet en begeer.

  Hij, die de Hemel zich zelf had ontzegd,

  Werd in uw kribbe terneder gelegd,

  Werd in uw kribbe terneder gelegd.

3

  Bethlehem Efrata!

  Gij kunt mij leren,

  Dat ook het kleine door God wordt gekend,

  Dat ook het kleine door God wordt gekend,

  En dat de Heiland, de Heer aller heren,

  ’t eerst tot het klein’ en geringe zich wendt,

  dat Hij, hoe groot en verheven in macht,

  komt, waar het hart Hem gelovig verwacht,

  komt, waar het hart Hem gelovig verwacht.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 49: 1-4 Bethlehems sterre

1

  Bethlehems sterre, gij licht ons voor,

  Wijst ons op ’t heuglijkst lot.

  Ginds klinkt het jub’lend engelenkoor.

  Ere zij onze God!

KOOR:

    Ere zij God, ere zij God,

    Ere zij God in de hoge!

2

  Zie, in de krib van Bethlehems stal,

  Ligt onze Heer, Gods Zoon;

  Willig verliet Hij, Vorst van ’t heelal,

  Voor u, o mens Zijn troon.

KOOR:

3

  Hij werd, o heil! Geboren voor mij,

  O, welk een zalig lot!

  Hij droeg mijn zonden, maakte mij vrij;

  ‘k Zing daarom: Ere zij God.

KOOR:

4

  Redder der wereld, dierbare Heer,

  Groot, Heer, is Uw gena!

  Jezus, mijn Heiland, U zij al d’ eer,

  Amen, Halleluja!

KOOR:

 

Terug naar boven

 

 

LIED 50: 1-2 Dank op het Kerstfeest

1

  Blij klinken onze stemmen in tonen klaar en rein,

  Nu wij op ’t heerlijk Kerstfeest hier weer te zamen zijn.

  De Heiland kwam op aarde, Hij kwam voor u, voor mij!

  Hem zingen wij ons loflied zo dankbaar en zo blij!

KOOR:

    Prijst Zijn naam, prijst Zijn naam!

    Kind’ren, zingt Zijn naam ter eer!

    Want uit liefde tot de mensen

    Daalde Hij op aarde neer.

2

  Komt, brengen wij nu gaven uit dankbaarheid aan Hem!

  Laat ons de Heiland danken met held’re, blijde stem.

  De kerstboomlichtjes stralen zo helder en zo zacht;

  Het is alsof zij zeggen: “De Heer zij dank gebracht!”

KOOR:

 

Terug naar boven

 

 

LIED 51: 1-3 Kerstlied

1

  De Heer zij ere tot in de Hoge,

  En vrede – op aarde, de mens gena

KOOR:

    Ja, roept het luide uit: De Heer zij ere,

    De Heer zij ere, halleluja!

2

  In diepe armoe werd Hij geboren,

  In alles werd Hij de mens gelijk.

KOOR:

    Ja roept het luide uit: In alles werd Hij,

    In alles werd Hij de mens gelijk

3

  O, lieve Heiland voor al Uw liefde

  Brengt U ons harte oormoedig dank.

Koor:

    Ja, roept het luider uit: Voor al Uw liefde,

    Voor al Uw liefde, ootmoedig dank.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 52: 1-3 De Heiland is geboren

1

  De Heiland is geboren,

  De Koning van ’t heelal,

  Hij, die in knechts gestalte

  Het mensdom redden zal.

  In woorden nooit vernomen,

  Weerklinkt der Eng’lenkoor.

  De komst des groten Konings

  weergalmt de heemlen door.

2

  Daar ruist het “Vreed’ op aarde”

  De hemelzalen door;

  “In mensen welbehagen!”

  herhaalt der Eng’lenkoor.

  Ja, waarlijk, God de Vader,

  Die ’t eeuwig licht bewoont.

  Heeft thans aan mensen kind’ren

  In Jezus zich vertoond.

3

  Gij zijt het beeld des Vaders

  Al ligt G’ in doeken neer,

  Gij, Jezus, onze Koning

  En aller scheps’len Heer,

  Gij zijt de Vorst der Eng’len,

  De Koning van ’t heelal

  Die eens de schaar der Zijnen

  Voor eeuwig prijzen zal.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 53: 1-3 De herders houden stil de wacht

1

  De herders houden stil de wacht

  Bij Bethlehem in ’t duister,

  Maar voor Gods engel is ’t geen nacht,

  Hij draagt Gods licht en luister.

  O vreest dan herders, vreest dan niet,

  Als gij des Heeren glorie ziet.

  Verheugt u saâm!

  Verhoogt Gods naam,

  Halleluja!

2

  Des Heeren engel daalt in ’t veld

  En doet de herders horen,

  Wat nog aan niemand was verteld:

  “ ’t Kind Jezus is geboren”

  O vreest dan herders, vreest dan niet,

  Daar God u grote blijdschap biedt

  Verheugt u saâm!

  Verhoogt Gods naam,

  Halleluja!

3

  Nu komen al Gods eng’len neer,

  De vleug’len uitgeslagen,

  En zingen lied’ren van Gods eer,

  Van vrede-en welbehagen.

  O vreest dan herders, vreest dan niet,

  Maar hoort aandachtig naar hun lied.

  Verheugt u saâm!

  Verhoogt Gods naam,

  Halleluja!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 54: 1-3 De herdertjes lagen bij nachte

1

  De herdertjes lagen bij nachte,

  Ze lagen bij nacht in ’t veld

  Ze hielden vol trouwe de wachte;

  Ze hadden de schaapjes geteld;

  Daar horen zij d’ engelen zingen

  Hun liederen vloeiend en klaar;

  De herders naar Bethlehem gingen;

  ’t liep tegen het Nieuwe jaar.

2

  Toen zij er te Bethlehem kwamen,

  Daar schoten drie stralen dooreen:

  Één straal van omhoog zij vernamen,

  Één straal uit het kribje beneen;

  Toen vlamd’ er een straal uit hun ogen

  En viel op het Kindeke teer;

  Zij stonden tot schreiens bewogen

  En knielden bij Jezus neer.

3

  “Och Kindje, och Kindje, dat heden

  in ’t nedrige stalletje kwaamt,

  ach, laat ons Uw paden betreden,

  want Gij hebt de wereld beschaamd.

  Gij komt om de wereld te winnen,

  De machtige vijand te slaan;

  De kracht Uwer liefde van binnen

  Kan wereld noch hel weerstaan.”

 

Terug naar boven

 

 

LIED 55: 1-5 Een kindeke geboren

1

  Een kindeke geboren

  in ene koude stal,

  dat komt ons hart bekoren,

  met gratie zonder tal.

REFREIN

    O Jesu, Zoon des Vaders,

    Gekomen in de nacht,

    Aan U, die zijt onz’ Koning,

    U liefd’ en eer gebracht.

2

  En in de lichte luchten

  Een lied van eng’len klinkt,

  Een lied, dat arme herders

  Zo grote vreugde zingt.

REFREIN

3

  Hij was zo groot een Koning

  In ’s hemels zaligheid,

  Nu is Hij mens geworden

  En arm hier neergeleid.

REFREIN

4

  O, wonder-schone liefde,

  Die uit deez’ kribbe straalt!

  ’t Is al voor onze zielen,

  dat Hij is neergedaald.

REFREIN

5

  Kom, laten wij dan minnen

  Dit kind van Betlehem,

  Ons hart en heel ons liefde,

  Dat alles schenken Hem.

REFREIN

 

Terug naar boven

 

 

LIED 56: 1-2 Een kindeke is er geboren

1

  Een kindeke is er geboren,

  Een kindeke teder en klein;

  Het ligt in een kribbe ter neder,

  Wie zou toch dat kindeke zijn?

  Dat kind is de Heer; onze Heiland,

  Hij gaf zich voor ons in de dood.

  Dat kind is Gods Zoon, Zijn Geliefde,

  Zo ned’rig en toch zo groot.

  Halleluja, Halleluja,

  Halleluja, looft allen de Heer!

2

  Om zondaren zalig te maken,

  Kwam Jezus als kindje op aard.

  O geeft Hem toch allen uw harte,

  Hij is al uw liefde zo waard.

  Hij laat u zo vriendelijk noden.

  Hij vraagt u: “Komt allen tot mij!”

  O hoort naar die dringende roepstem,

  Uw Heiland, uw Koning is Hij.

  Halleluja, Halleluja,

  Halleluja, looft allen de Heer!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 57: 1-2 Eeuwen geleden

1

  Eeuwen geleden

  Kwamen getreden

  Herders in Bethlehems arme stal.

  Zacht ziet de moeder neer

  Op ’t kindje klein en teer;

  ’t hemelse licht schijnt overal.

2

  Kindje – in de heil’ge nacht,

  Dat ons Gods liefde bracht,

  Ook wij staan om Uwe krib geschaard.

  Lief heilig kindekijn,

  Nu wij zo stille zijn

  Klinkt zacht en teder:

  “Vrede – op aard!”

 

Terug naar boven

 

 

LIED 58: 1-2 Gloria in excelsis Deo

1

  Engelkens door ’t luchtruim zwevend,

  Zongen zo blij, zo wonderzacht,

  Van de Heer van dood en leven,

  die er vrede-op aarde bracht

  Gloria in excelsis Deo!

  Gloria in excelsis Deo.

2

  Zongen blij en wonderklare

  Van ’t zoete kindje, rein en teer.

  En de herderkens die er waren,

  Knielden bij de kribbe neer.

  Gloria in excelsis Deo!

  Gloria in excelsis Deo.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 59: 1 Ere zij God

1

  Ere zij God, ere zij God,

  In de Hoge, in de Hoge, in de Hoge!

  Vrede op aarde, vrede op aarde!

  In de mensen een welbehagen!

  Ere zij God in de Hoge,

  Ere zij God in de Hoge,

  Vrede op aarde, Vrede op aarde,

  vrede op aarde, vrede op aarde,

  in de mensen, in de mensen

  een welbehagen, een welbehagen!

  Ere zij God, ere zij God!

  In de Hoge, in de Hoge, in de Hoge!

  Vrede op aarde, vrede op aarde,

  In de mensen een welbehagen!

  Amen, Amen, Amen.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 60: 1-3 De nederige geboorte

1

  Er is een Kindeke geboren op d’ aard;

  Er is een Kindeke geboren op d’ aard;

  ’t Kwam op de aarde voor ons allegaar,

  ’t Kwam op de aarde voor ons allegaar.

2

  Er is een Kindeke geboren in ’t strooi;

  Er is een Kindeke geboren in ’t strooi,

  ’t Lag in een kribbetje, gedekt met hooi,

  ’t Lag in een kribbetje, gedekt met hooi.

3

  ’t Kwam op de aarde en ’t had er geen huis;

  ’t Kwam op de aarde en ’t had er geen huis;

  ’t Kwam op de aarde en ’t droeg al Zijn kruis,

  ’t Kwam op de aarde en ’t droeg al Zijn kruis.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 61: 1-3 Wees mijn Koning, o Heer

1

  “Geboren een Koning, geboren een Kind.

  Geboren een Heiland, die zondaars bemint!”

  Zo juichen en jub’len veel stemmen in ’t rond;

  Zo zingt ook mijn harte verheugd in deez’ stond:

  Jezus, Heiland! Voor U buig ik neer,

  Regeer in mijn hart, wees mijn Koning, o Heer!

  Jezus, Heiland! Voor U buit ik neer,

  Regeer in mijn hart, wees mijn Koning, o Heer!

2

  Geboren in armoe, geboren als Kind!

  Nee, niemand heeft ooit zó als Jezus bemind;

  Nee, niemand begrijpt zó Uw zwakheid en pijn,

  Als Jezus, de Koning, die kind wilde zijn.

  Jezus, Heiland! Voor U buig ik neer,

  Regeer in mijn hart, wees mijn Koning, o Heer!

  Jezus, Heiland! Voor U buig ik neer,

  Regeer in mijn hart, wees mijn Koning, o Heer!

3

  Geboren een Heiland, o luister, mijn ziel!

  Hem kunt gij niet missen, aanbid Hem en kniel!

  Rust niet, vóór gij jubelt van harte en blij:

  “Geboren mijn Heiland, geboren in mij!”

  Jezus, Heiland! Voor U buig ik neer,

  Zó groot is Uw macht, wees mijn alles, o Heer!

  Jezus, Heiland! Voor U buig ik neer,

  Zó groot is Uw macht, wees mijn Koning, o Heer!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 62: 1-3 Geeft eer de Heer!

1

  Geef eer de Heer!

  In mensen welbehagen!

  Zo klinke-ons lied op hoge toon,

  ’t is heden weer de heerlijkste-aller dagen,

  geboortefeest van ’s Vaders zoon.

2

  Geef eer de Heer!

  Zijn vrede daalde-op aarde,

  En drong tot Oost en Westen door,

  In Jezus heeft weer ’t mensenleven waarde,

  Ons heil is ’t lied van ’t eng’lenkoor.

3

  Geef eer de Heer!

  In mensen welbehagen!

  Zij ’t lied op aarde-en voor Gods troon.

  Dan zullen we-eens het witte feestkleed dragen,

  Gereinigd door Gods eigen Zoon.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 63: 1-3 Kerstliedje van Luther

1

  Geen wiegje als rustplaats, maar een krib was ’t weleer,

  Waar het Kindeke Jezus, lei Zijn hoofdje terneer.

  De sterren, zij keken van de hemel zo mooi,

  Naar het Kindeke Jezus, hoe Hij sliep in het hooit

2

  Door ’t loeien der koetjes was het Kindje ontwaakt,

  Maar daardoor werd ’t Kind niet aan ’t schreien gemaakt.

  Heer Jezus, nu ziet God uit de hemel ter neer,

  Ik dank U, dat G’ eens ook een kindje waart, Heer.

3

  O zegen de kind’ren veraf en dichtbij,

  Gij houdt van hen allen evenveel als van mij,

  Gij wilt, dat wij kind’ren, al zijn wij nog klein,

  Bij U in de hemel ook eens zullen zijn.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 64: 1-3 Gloria

1

  Gloria, gloria, ere zij God!

  Gloria, gloria, ere zij God!

  Eng’len rondom de troon

  zingen zo klaar en schoon!

  Gloria, gloria, ere zij God!

  Gloria, gloria, ere zij God!

2

  Gloria, gloria, ere zij God!

  Gloria, gloria, ere zij God!

  Ver over ’t werelddal

  Klinkt luid hun blij geschal:

  Gloria, gloria, ere zij God!

  Gloria, gloria, ere zij God!

3

  Gloria, gloria, ere zij God!

  Gloria, gloria, ere zij God!

  Zing, juich met blij geklank

  Lied’ren van lof en dank.

  Gloria, gloria, ere zij God!

  Gloria, gloria, ere zij God!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 65: 1-4 ‘k Heb de blijde maar gehoord

1

  ‘k Heb de blijde maar gehoord,

  die mij tegen klonk van ver.

  Door der eng’lenlied bekoord,

  Zoekt mijn oog nu Jacobs ster.

KOOR:

    Welkom op het smalle pad!

    Sluit u aan, reis met ons mee,

    Ook wij zoeken Davids stad,

    En begeren vreugd’ en vreê.

2

  Maar ik durf haast niet te gaan,

  Tot der heem’len Opperheer,

  ‘k heb zo dikwijls kwaad gedaan,

  vast zendt Hij mij ledig weer.

KOOR:

    O, schep moed! Gij die dus klaagt!

    Kent gij dan de Heiland niet,

    Die naar arme zondaars vraagt,

    En voor hen Zijn troon verliet?

3

  ‘k Zou zo graag bij Jezus zijn,

  Die zo hartelijk bemint,

  Maar ik acht mij veel te klein,

  Want ik ben nog maar een kind.

KOOR:

    Ook voor kind’ren kwam de Heer,

    Kom en zie! In Bethlehems stal

    Ligt Hij als een kind ter neêr,

    Die ook u verlossen zal.

4

  Maar de kribbe staat niet meer

  In de stal van Bethlehem.

  Zoekt mijn oog thans naar de Heer,

  Nergens, nergens vindt het Hem.

KOOR:

    Richt naar boven dan uw oog,

    Daar, daar woont Gods lieve Zoon,

    Heft uw hart tot Hem omhoog

    En kniel neder voor Zijn troon.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 66: 1-4 Kribbe en Kruis

1

  Heerlijk klonk het lied der Eng’len

  In het veld van Efrata:

  “ere zij God in de Hoge,

  looft de Heer Halleluja!

  Vrede zal op aarde dagen,

  God heeft in de mens behagen!”

  Zalig, die naar vrede vragen,

  Jezus geeft dien, hoort Zijn stem.

2

  Jezus daalt op aarde neder,

  Als een kindje klein en teer;

  Maar hoe arm Hij ook moog’ wezen,

  Hij is aller Hoofd en Heer.

  Vrede zal op aarde dagen,

  God heeft in de mens behagen!

  Zalig, die naar vrede vragen,

  Jezus geeft dien, hoort Zijn stem.

3

  In een kribbe ligt Hij neder,

  Weldra wordt een kruis Zijn troon,

  Ja, om zondaars te verlossen,

  Droeg Hij spot en smaad en hoon.

  Vrede zal op aarde dagen,

  God heeft in de mens behagen!

  Zalig, die naar vrede vragen,

  Jezus geeft dien, hoort Zijn stem.

4

  Leer ons bij Uw kribbe buigen,

  Leer ons knielen bij Uw kruis,

  Leer ons in Uw naam geloven,

  Neem ons eens in ’t Vaderhuis.

  Vrede zal op aarde dagen,

  God heeft in de mens behagen!

  Zalig, die naar vrede vragen,

  Jezus geeft dien, hoort Zijn stem.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 67: 1-3 Heft op uw hoofden, poorten wijd

1

  Heft op uw hoofden, poorten wijd!

  Wie is het, die hier binnenrijdt?

  Begroet Hem, Heer der heerlijkheid

  En Heiland vol barmhartigheid!

  Hij geeft de wereld ’t leven weer.

  Juicht blijde, zingt uw God ter eer,

  Looft Hem, die sterk van daad

  De deuren binnen gaat!

2

  Gezegend was het land, de stad,

  Waar deze Koning binnentrad.

  Gezegend ’t hart, dat openstaat

  En deze Koning binnenlaat.

  De Zonne der gerechtigheid

  Verblindde niet door majesteit;

  Maar wat in ’t duister sliep,

  Onwaakte, toen Hij riep.

3

  Heft op uw hoofde, poorten wijd!

  Elk hart zij Hem ter woon bereid!

  De palmen van uw eerbied spreidt

  De weg langs, die uw Koning rijdt.

  Hij komt tot u met troost en vree

  En brengt u heil en liefde mee.

  Geprezen zij de Heer,

  Hij geeft u ’t leven weer!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 68: 1-3 Herders, hebt gij niet vernomen

1

  Herders, hebt hij niet vernomen,

  Uit der eng’len blij geschal,

  Dat uw Heiland is gekomen,

  Die de aard verlossen zal?

  Hemelvreugd heeft overgoten

  heel de aarde zondergrens.

  Juicht! De vrede is gesloten

  Tussen Opperheer en mens,

  Tussen Opperheer en mens.

2

  Denkt, hoe God ons al te gader

  Ongemeten heeft bemind,

  En de Zoon van God de Vader

  Nederdaalt gelijk een kind.

  Heel de wereld was verloren,

  Toen ons Jezus redding bracht,

  In een arme stal geboren,

  Midden in de winternacht,

  Midden in de winternacht.

3

  komt, laat ons de Heer aan vinden,

  ’t harte vol van dankbaarheid.

  Ziet, in doeken lat zich winden

  D’ aller hoogste Majesteit.

  Laat ons die Verlosser loven,

  Laat ons zingen voor en na,

  Met de engelen hier boven:

  In excelsis gloria,

  In excelsis gloria!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 69: 1-3 Herders, hoe ontwaakt gij niet?

1

  Herder, hoe ontwaakt hij niet?

  Schouwt in ’t ronde wat geschiedt!

  Hoort, een stem van hemelingen,

  Klink door lucht en starrenkringen:

  Gloria, Gloria!

  O, wat wonder werd dees nacht

  Hier op aarde wel volbracht?

  Ziet, de glans van ’t firmament

  Maakt iets heiligs ons bekend.

2

  Hoort hij ginds die eng’lenstem,

  Die ons roept naar Bethlehem?

  Van een maagd door God verkoren,

  Werd een heilig Kind geboren:

  Gloria, Gloria!

  ’t Is de Schepper van ’t Heelal,

  die daar ligt in arme stal;

  herders spoedt u, spoedt u voort,

  naar ’t van God gezegend oord.

3

  Wat geschenken voert ge mee?

  Kiest ge van uw schoonste vee”

  Ach, van ’t geen gij op kunt dragen

  Zal uw hart Hem ’t meest behagen:

  Gloria, Gloria!

  Neen, geen offer is te groot

  Voor het Kind dat God ons bood;

  Maar geen schijnt Hem ook te kleen,

  Brengt uw liefde ’t naar Hem heen.

4

  Welkom, Kindje, wees gegroet;

  Zie onze offers aan Uw voet;

  Welkom Heiland, in ons leven.

  Mogen w’ U ons harte geven:

  Gloria, Gloria!

  Glorie zij aan God omhoog!

  Vreugde straalt ons uit het oog,

  Want Gij, Kindje, God en Heer,

  Daalt hier vrede brengend neer.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 70: 1-4 Blijde boodschap

1

  Herders, zegt mij, toen Gods Engel daalde van omhoog,

  Was het vreze voor Zijn boodschap, die uw knieën boog?

  “Dankbaar hieven wij het hoofd;

  Christus kwam, God zij geloofd!”

2

  Herders, toen de zang der eng’len klonk in stille nacht,

  Wist gij toen, welk blijde boodschap deze tot u bracht?

  “Welbehagen in de mens,

  Vrede-op aard’! is Godes wens.”

3

  Herders, zegt mij, toen die Engel uit uw oog verdween,

  Dacht ge niet, dat hij als zonder in uw droom verscheen?

  “Neen, naar Beth’lem spoedden wij

  Christuskind, geloofd zijt Gij!’

4

  Kleine kind’ren, als gij luistert, hoort gij nog dat lied,

  En gij vindt de weg tot Jezus, Die u allen ziet.

  “Jezus, ja, wij willen nu

  zoeken ook de weg naar U.”

 

Terug naar boven

 

 

LIED 71: 1-5 Het daget in het Oosten

1

  Het daget in het Oosten;

  Het licht schijnt overal:

  Hij komt de volken troosten,

  Die eeuwig heersen zal.

2

  De duisternis gaat wijken

  Van d’ eeuwen lange nacht;

  Een nieuwe dag gaat prijken

  Met ongekende pracht.

3

  Zij, die gebonden zaten

  In schaduw van de dood,

  Naar ’t scheen van God verlaten,

  Begroeten ’t morgenrood.

4

  De Zonne, voor wier stralen

  Het nacht’lijk duister zwicht,

  En die zal zegepralen,

  Is Christus, ’t eeuwig Licht

5

  Het daget in het Oosten,

  Het licht schijnt overal:

  Hij komt de volken troosten,

  Die eeuwig heersen zal.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 72: 1-5 Hoe zal ik U ontvangen

1

  Hoe zal ik U ontvangen,

  Hoe wilt Gij zijn ontmoet,

  O, ’s wereld hoogst verlangen,

  Des sterv’lings zaligst goed?

  Dat ons Uw geest verlichte!

  Houd zelf de fakkel bij,

  Die, Heer, ons onderrichte,

  Wat U behaag’lijk zij!

2

  Uw Sion strooit U palmen

  En twijgen voor de voet,

  En ik breng U in psalmen,

  Mijn jubelende groet.

  Mijn hart zal ’t feestkleed dragen

  Van altijd jeugdig groen,

  En van Uw lof gewagen,

  Zoveel mijn lied kan doen.

3

  Ver van de troon der tronen

  En ’s hemels zonneschijn

  Wilt G’ onder mensen wonen,

  Der mensen broeder zijn!

  Met God wilt G’ ons verzoenen,

  Tot God heft G’ ons omhoog,

  En onder millioenen

  hebt Gij ook mij in ’t oog.

4

  ‘k Lag machteloos gebonden:

  Gij komt en maakt mij vrij!

  Ik was bevlekt met zonden:

  Gij komt en reinigt mij!

  Het leven was mij sterven,

  Tot Gij mij op deed staan.

  Gij doet mij schatten erven,

  Die nimmermeer vergaan.

5

  Wat deed uit ’s hemels zalen,

  O Heer der heerlijkheên,

  Op aard’ U nederdalen?

  Uw grote liefd’ alleen,

  Uw eindeloos erbarmen

  Met onze grote nood,

  Dat als met reddend’ armen

  Ons zegenend omsloot!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 73: 1-4 In Bethlehems stal

1

  In Bethlehems stal,

  Lag Christus de Heer,

  In doeken gehuld,

  Als kindje terneer.

  Voor Hem was geen plaats meer

  In herberg of huis;

  Zijn wieg was een kribbe,

  Zijn troon was een kruis

2

  Zo arm werd de Heer,

  Der engelen Heer,

  Die zondaren mint,

  Zo nameloos teer;

  Die hun wil vergeven,

  Hoeveel het ook zij;

  Zo arm werd de Heiland

  Voor u en voor mij.

3

  Lam Gods voor de schuld

  Der wereld geslacht,

  Dat eens aan het kruis

  Voor mij hebt volbracht.

  Ik kniel bij Uw kribbe

  Met dankend gemoed,

  En  breng U eerbiedig

  Mijn zeeg’nende groet.

4

  Ik wijd U mijn vreugd,

  Mijn leven, mijn hart;

  Bij U wil ik zijn

  In blijdschap en smart.

  Geef Gij mij een harte,

  Dat U steeds bemint,

  Dan ben ik van nu aan

  Voor eeuwig Uw kind.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 74: 1-4 In der schepping morgenstond

1

  In der schepping morgenstond

  Klonk der Eng’len lied in ’t rond,

  Toen Gods macht in ’t maatloos diep,

  Hemel, zee en aarde schiep.

2

  Weder klonk der eng’len stem

  Bij de krib van Bethlehem.

  Toen Gods Zoon op aard verscheen

  Als een kindje, arm en kleen.

3

  Nog eens galmt der eng’len koor

  Met gejuich de heem’len door,

  Als Gods Zoon met majesteit

  Weder komt in heerlijkheid.

4

  Eenmaal juichen in Uw naam,

  Eng’len, mensen, kind’ren saâm.

  Och, dat dan ook onze mond

  Mee moog juichen in die stond.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 75: 1-5 In windselen gewonden

1

  In windelen gewonden,

  Werd ’t Kindje eens gevonden,

  Toen engelen vertelden

  Aan herders in de velden,

  Dat Jezus er was,

  Dat Jezus er was.

2

  Zij spraken: laat ons zingen,

  Met eerbied Hem omringen,

  En alle eer bewijzen,

  Met dank en lof Hem prijzen:

  ’t is Jezus de Heer!

  ’t Is Jezus de Heer.

3

  Laat ons Zijn komst beseffen,

  En blij de stem verheffen,

  Het Kind, dat wij aanschouwen,

  Geloven en vertrouwen

  Als Heiland en Heer,

  Als Heiland en Heer.

4

  En ’t Kindje lachte blijde

  Al kwam Het om te lijden,

  Om onze schuld te dragen

  Naar ’s Vaders welbehagen,

  Met doornen gekroond.

  Met doornen gekroond.

5

  Om ons en onze zonden

  Droeg Jezus vele wonden,

  En deed ons door Zijn sterven

  De hemel weer beërven,

  De Vader tot eer.

  De Vader tot eer.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 76: 1-3 ik kniel aan Uwe kribbe neer

1

  Ik kniel aan Uwe kribbe neer,

  O Jezus, Gij mijn leven,

  Ik kom tot U en breng u, Heer,

  Wat Gij mij hebt gegeven.

  O neem mijn leven, geest en hart,

  En laat mijn ziel in vreugd en smart

  Bij U geborgen wezen.

2

  Nog voor ik was een kindje klein,

  Zijt Gij op aard gekomen;

  En hebt Gij zelf, zo vlekkeloos rein,

  Mijn schuld op U genomen.

  Eer ‘k door Uw hand was voortgebracht,

  Had reeds Uw liefde-aan mij gedacht,

  Mij tot Uw kind verkoren.

3

  Ik lag in donkerheid en nacht,

  Gij  waart mijn zon, mijn luister,

  De zonne, die mij vrede bracht,

  En redde uit het duister.

  O Jezus, wil mijn zonneschijn,

  Mijn kracht, mijn hulp, mijn sterkte zijn;

  Dan heb ik niets te vrezen.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 77: 1-3 Jezus is geboren

1

  Jezus is geboren!

  O, jubelt, zingt nu blij en luid!

  Zendt de goede tijding

  Naar ’t verste Noord en Zuid!

  Laat uw juichkreet schallen,

  Tot ieder, ieder ’t hoort;

  Tot allen mede juub’len

  In ’t grote lofaccoord!

KOOR

    Jezus is geboren!

    Jubelt blij en luid!

    Zendt de goede tijding

    Naar ’t verste Noord en Zuid!

2

  Jezus is geboren!

  O, hoort het hemels eng’lenlied

  In Judea’s velden:

  Uw God vergeet u niet!

  Jezus is geboren!

  En vrede, vrede op aard!

  In mensen welbehagen,

  Hij is ons loflied waard!

KOOR

3

  Jezus is geboren!

  O, blijde, schone, heil’ge stond.

  Hoort de klokken luiden

  En kling’len blij in ’t rond!

  Zaligen daarboven,

  Een niet te tellen schaar,

  Zij zingen van verlossing

  En liefde wonderbaar!

KOOR

 

Terug naar boven

 

 

LIED 78: 1-2 Ja, uit ’s werelds duist’re wolken

1

  Ja, uit ’s werelds duist’re wolken

  Is het licht nu opgegaan!

  ’t Breekt zich altoos ruimer baan

  en bestraalt eens alle volken.

  Licht des hemels! Heden groeten

  U Gods kind’ren heinde-en veer;

  Juichend komen ze-U ontmoeten,

  Knielen dankbaar voor U neer.

  Roem, o God! Zij Uw genade,

  Want Uw vriend’lijk aangezicht

  Slaat ons mededogens gade;

  Wij ook wand’len in Uw licht.

  Ja, uit ’s werelds duist’re wolken,

  Is het licht nu opgegaan!

  ’t Breekt zich altoos ruimer baan,

  en bestraalt eens alle volken.

2

  Licht uit God! Verdrijf het duister,

  Door de zonde ons aangebracht;

  Laat de schaduw van de nacht

  Overgaan in helle luister!

  Laat Uw gloed, Uw warmte dalen,

  Waar de nacht het donkerst is;

  Schep daar licht en doe het stralen

  Uit het hart der duisternis.

  Uit de-ellende worde zegen,

  Uit verlies de winst bereid,

  ’t Leven uit de dood verkregen,

  en uit zonde heiligheid.

  Licht uit God! Verdrijf het duister,

  Door de zonde-ons aangebracht;

  Laat de schaduw van de nacht

  Overgaan in helle luister.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 79: 1-2 Kindeke Jezus met oogskes zo blij

1

  Kindeke Jezus met oogskes zo blij,

  Wat zien er Uw oogskes dan vreugdigs in mij?

  Kindeke Jezus, dat weent en dat lacht,

  Het heeft voor mijn zonde Zijn liefde gebracht.

2

  Kindeke Jezus met handjes gestrekt,

  Wat hebt Gij in mij dan voor goeds toch ontdekt?

  Kindeke Jezus, dat weent en dat lacht,

  Het heeft in Zijn liefde-aan geen zonde gedacht.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 80: 1 De vrede daalt neer

1

  Kindje in Bethlehems kribbe,

  Kwaamt Gij zo ver van omhoog,

  Jongske, zo schoon en zo lieflijk,

  Hemellicht glanst in Uw oog.

  Engelen zongen hun loflied,

  U en Uw Vader ter eer:

  “Ere zij God in de hoge,

  nu daalt de vrede neêr!”

 

Terug naar boven

 

 

LIED 81: 3 Komt allen te zamen

1

  Komt allen te zamen, komt verheugd van harte,

  Bethlehems stal in de geest bezocht,

  Zien wij dat Kindje, ons tot heil geboren

  O, laten wij aanbidden;

  O, laten wij aanbidden;

  O, laten wij aanbidden die Koning.

2

  De Heiland der wereld, Gods geliefde Zone,

  Ligt in een kribbe, Zijn wiegje neer.

  ’t Is de Beloofde, nu op aard’ verschenen.

  O, laten wij aanbidden;

  O, laten wij aanbidden;

  O, laten wij aanbidden die Koning.

3

  Komt, zingt nu die Heiland, Hemels’ eng’len koren.

  Zingt Zijne liefde, gij mensenkind.

  Ere zij God in hemel en op aarde,

  In mensen welbehagen;

  In mensen welbehagen;

  In mensen welbehagen voor eeuwig.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 82: 1-3 Komt, verwonder u

1

  Komt, verwondert u hier, mensen,

  Ziet, hoe dat u God bemint,

  Ziet vervuld der zielen wensen,

  Ziet dit nieuw geboren Kind!

  Ziet, die ’t woord is,  zonder spreken,

  Ziet die vorst is, zonder pracht,

  Ziet, die ’t al is, in gebreken,

  Ziet, die ’t licht is, inde nacht,

  Ziet, die ’t goed is, dat zo zoet is,

  Wordt verstoten, wordt veracht.

2

  Ziet, hoe dat men met Hem handelt,

  Hoe men Hem in doeken bindt,

  Die met Zijn godheid wandelt

  Op de vleugels van de wind.

  Ziet, hoe ligt Hij hier in lijden

  Zonder teken van verstand,

  Die de hemel moet verblijden,

  Die de kroon der wijsheid spant.

  Ziet, hoe tere is de Heere,

  Die ’t al draagt in Zijne hand.

3

  O Heer, Jesu, God en mense,

  Die aanvaard hebt deze staat,

  Geef mij, dat ik door U wense,

  Geef mij door Uw kindsheid raad.

  Sterk mij door Uw tere handen,

  Maak mij, door Uw kleinheid groot,

  Maak mij vrij door Uwe banden,

  Maak mij rijk door Uwe nood,

  Maak mij blijde door Uw lijden,

  Maak mij levend door Uw dood!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 83: 1-2 Kerstmis

1

  Krib en stal vond Hij als woning,

  ’T Kindje klein dat zal zijn

  aller mensen Koning!

  Hoor der eng'len lied Hem prijzen,

  ’t klinkt zo blij,

  dat ook wij

  Hem nu eer bewijzen.

  Ere, ere zij de Heer,

  Ere zij God in de hoge!

  Ere, ere zij de Heer,

  Ere in de hoge.

2

  Hij daalt tot ons, zondaars, neder,

  Hoe onrein wij ook zijn,

  Hij brengt God ons weder;

  Hij kan troosten als wij klagen,

  Elk die hoort

  Naar Zijn woord,

  Doet Hij ’t heillicht dagen.

  Ere, ere zij de Heer,

  Ere zij God in de hoge!

  Ere, ere zij de Heer,

  Ere in de hoge.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 84: 1-3 Laat mijn zwakker klanken

1 allen

  Laat mijn zwakke klanken,

  Laat mijn kinderstem,

  U toch staam’lend mogen danken,

  Heilig Kind van Bethlehem!

  Wat woudt Gij verzaken

  om ook mij voor eeuwig vrij te maken.

2 meisjes

  Ook ik was verloren,

  Zo Gij niet, o Heer,

  Als een kindje waar geboren,

  Hulpbehoevend, zwak en teer:

  Zo Gij niet de slagen

  Voor het kwaad dat ik bedraaf, woudt dragen.

3 allen

  Maar nu mag ik roemen;

  Gij, Gij hebt volbracht!

  Ik mag u mijn Redder noemen,

  Van wie ik mijn heil verwacht.

  Die ook mij zal geven

  Uit gena, het eeuwig, zalig leven.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 85: 1-5 ’t Licht dezer wereld

1

  ’t Licht dezer wereld is reddend verschenen.

  ’t Woord dat voor d’ eeuwen bij God was, werd vlees

  Christus komt mensen met God weer verenen,

  Zondaars verlossen van oordeel en vrees.

  Hemelen, wilt Uw gezangen ons lenen!

  ’t Licht dezer wereld is reddend verschenen,

  ’t Licht dezer wereld is reddend verschenen.

2

  Christus daalt neder, geslaakt zijn de banden;

   D’r enig geborne des Vaders maakt vrij.

  ’t Lied der verlossing weergalmt langs de stranden;

  dat nu heel d’ aard Hem als Redder belij;

  moog’ alles harten van dankbaarheid branden!

  Christus daalt neder, geslaakt zijn de banden,

  Christus daalt neder, geslaakt zijn de banden.

3

  Christus daalt neder als ’t offer der zonden,

  Dank en aanbidding die Een’ge gebracht!

  Laat ons met d’ eng’len zijn liefde verkonden,

  Prijzen het Lam aan het kruishout geslacht!

  Wie kan die diepten van liefde doorgronden?

  Christus daalt neder als ’t offer der zonden!

  Christus daalt neder als ’t offer der zonden!

4

  Christus daalt neder als bron van ’t verblijden;

  Drink’ hij, die dorst heeft en laav’ zich om niet!

  Kom tot die waat’ren, wie bukt onder ’t lijden,

  Waar Zijn ontfermen genezing u biedt!

  Kranken, komt knielend uw hulde Hem wijden!

  Christus daalt neder als bron van ’t verblijden,

  Christus daalt neder als bron van ’t verblijden.

5

  Christus daalt neder als ’t beeld van de Vader;

  Volken! Geknield op die beelt’nis gestaard!

  Aard! Dat Uw kroost om die Heer zich vergader’,

  Die voor de broed’ren Zijn leven niet spaart!

  Amen, Heer Jezus, kom telkens ons nader!

  Voer ons tezaam eens in ’t huis van Uw Vader!

  Voer ons tezaam eens in ’t huis van Uw Vader!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 86: 1-3 ’t Licht deze wereld

1

  ’t Licht deze wereld is reddend verschenen;

  ’t Woord dat voor d’ eeuwen bij God was, werd vlees.

  Christus komt mensen met God weer verenen,

  Zondaars verlossen van oordeel en vrees.

  Hemelen, wilt Uw gezangen ons lenen!

  ’t Licht deze wereld is reddend verschenen.

2

  Christus daalt neder, geslaakt zijn de banden!

  d’ Enig geboor’ne des Vaders maakt vrij.

  ’t Lied der verlossing weergalmt door de landen,

  dat nu heel d’ aard Hem als Redder belij’.

  Moog’ aller harten van dankbaarheid branden,

  Christus daalt neder; geslaakt zijn de banden.

3

  Christus daalt neder! De Heer alles heren;

  Hemel en aarde, verheft thans Uw stem!

  Christus, Gods Heil’ge, komt zondaars bekeren;

  Opent nu deuren en harten voor Hem!

  Zalig wie Hem, als hun Koning vereren,

  Christus daalt neder, de Heer aller heren!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 87: 1-3 Op Jezus’ geboorte

1

  Lieve Jezus, trouwe Heiland, U zei lof en dank gebracht,

  Dat Gij voor ons werd geboren in de zaal’ge Kerstfeestnacht.

  Dat G’ Uw hemel hebt verlaten en op aard zijt neêrgedaald,

  Om ’t verloren schaap te zoeken, dat zo ver was afgedwaald,

  Dat zo ver was afgedwaald

2

  Ere Gode! Die Zijn Een’ge ons tot heil gegeven heeft,

  Vreed’ op aarde! Nu haar Koning als haar Zaligmaker leeft,

  In de mensen welbehagen, nu de Heer der heerlijkheid,

  Zelf als mens op aard’ gekomen naar Zijns Vaders huis hen leidt!

  Naar Zijns Vaders huis hen leidt!

3

  Lieve Jezus door Uw sterven hebt G’ ons van de dood verlost;

  Leer ons daag’lijks meer beseffen wat ons heil  U heeft gekost.

  Leer ons naar Uw roepstem horen, maak ons tot Uw schapen, Heer!

  Trouwe Leidsman, Goede Herder, dat w’ U volgen meer en meer,

  Dat w’ U volgen meer en meer.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 88: 1-4 Nu syt wellecome

1

  Nu syt wellecome, Jesu, lieve Heer!

  Ghy comt van also hoghe, van also veer.

  Nu syt wellecome van de hoghe hemel neer.

  Hier al in dit aardryck syt Ghy gesien noyt meer.

  Kyrieleys! (= Heere, erbarm U onzer)

2

  d’ Herders op de velde hoorden een nieuw lied,

  dat Jesus was gheboren, sy wisten ’t niet.

  Gaet aen gheeder (= gindse) straeten en ghy sullet vinden claer (= duidelijk)

  Behtlehem is de stede, daer ’t is geschiedt voorwaer.

  Kyrieleys!

3

  Wysen uyt de Oosten, uyt so verre landt

  Sy sochten onze Heere met offerandt.

  S’ offerden ootmoedelyck myrrh’, wierook ende goudt

  ’t Eren van dat Kinde, dat alle dingck behoudt.

  Kyrieleys!

4

  Halleluja, Heere! Laet ons singen bly,

  Daarmeed’ oock onse liedren beghinnen vry!

  Jesus is gheboren op de heilige Kerstnacht,

  Hoogh sy Hy ghepresen en hoogh Syn Naem gheacht!

  Kyrieleys!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 89: 1-2 Nu wordt het stil en duister

1

  Nu wordt het stil en duister,

  Langs veld en beemd’ en vliet,

  Daar gaat een zacht gefluister,

  als was ’t van wuivend riet.

  Als kwam ’t op vogelveder,

  Aanzwevend, stil en zacht

  Als groeten eng'len weder,

  De heil’ge stille nacht.

2

  Daar klinkt een teder zingen,

  Dat aanzwelt tot heel sterk;

  ’t Is ’t koor der hemelingen,

  verkondend Godes werk!

  De Heiland is geboren,

  Een kindje teer en klein,

  En al wat was verloren

  Zal eeuwig zalig zijn!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 90: 1-3 Heilige nacht

1

  O heilige nacht, O zalige nacht,

  Wat vreugde hebt gij ons gebracht

  Toen Christus, door God ons verkoren,

  In Bethlehems stal werd geboren.

  O heilige nacht, O zaal’ge nacht.

2

  O heilige nacht, O zalige nacht,

  Wat vreugde hebt gij ons gebracht

  Toen duizenden engelen konden

  Ons hemelse vrede verkonden.

  O heilige nacht, O zaal’ge nacht.

3

  O heilige nacht, O zalige nacht,

  Wat vreugde hebt gij ons gebracht

  In Jezus heeft God ons gegeven

  Verzoening en ’t eeuwige leven.

  O heilige nacht, O zaal’ge nacht.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 91: 1-3 O, hoe heerlijk

1

  O, hoe heerlijk,

  Hoe begeerlijk

  Zijt g’ o dag van zaligheid!

  ’t Mensdom was verloren;

  Christus is geboren

 Jubel, jubel nu, o Christenheid!

2

  Hoe verblijdend

  Hoe bevrijdend

  Zijt g’ o dag van zaligheid!

  Christus daalde neder,

  Bracht tot God ons weder,

 Jubel, jubel nu, o Christenheid!

3

  Hoe vol luister,

  In het duister

  Straalt die dag van zaligheid!

  Ook des hemels koren;

  Doen hun loflied horen.

 Jubel, jubel nu, o Christenheid!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 92: 1-2 O Kindeke klein!

1

  O, Kindeke klein! O Kindeke teer!

  Uit hoge hemel daalt Gij neer,

  Verlaat Uws Vaders heerlijk huis,

  Wordt arm en hulploos, draagt een kruis.

  O Kindeke klein! O Kindeke teer!

2

  O, Kindeke klein! O Kindeke teer!

  Gij zijt ons uitverkoren, Heer!

  Ik geef U heel vet harte mijn,

  Och, laat mij eeuwig bij U zijn!

  O Kindeke klein! O Kindeke teer!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 93: 1-2 Onze Heiland is geboren

1

  Onze Heiland is geboren,

  Heer des Hemels en der aard.

  Mengt uw stemmen blijde koren,

  Zendt uw jubel hemelwaarts.

KOOR:

    Arm en teder daalt Hij neder,

    Om te zaal’gen, al wat leeft;

    Lof en ere zij de Heere,

    Die aan d’ aard zichzelf nu geeft!

2

  Ziet, al is een stal Zijn woning

  En al is een krib Zijn troon;

  ’t Heilig Kind is onze Koning,

  Hem aanbidden w’ als Gods Zoon.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 94: 1-3 Prijst Zijne Naam!

1

  Prijst Zijne Naam, al gij volk’ren der wereld,

  Prijst Zijne Naam, al gij einden der aard,

  Jezus, uw Heiland is heden geboren,

  Kwam voor een mensdom in zonden verloren,

  Prijst Zijne Naam, prijst Zijne Naam!

2

  Ver in het Oosten, in need’rige kribbe,

  Ligt de Verlosser, zo lang reeds verwacht.

  Need’rige herders gaan naarstiglijk zoeken,

  Vinden het Kindje, gewikkeld in doeken,

  Prijst Zijne Naam, prijst Zijne Naam!

3

  Komt, gij vermoeiden, belasten en droeven,

  Hoop’lozen, nog is er hope voor u,

  Hebt gij de wondere tijding vernomen:

  Om u te redden is Christus geboren,

  Prijst Zijne Naam, prijst Zijne Naam!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 95: 1-2 Kerstliedje

1

  Stille, heil’ge Kerstnacht! Schone, zaal’ge nacht,

  Die in ’s werelds duister ’t Licht des Levens bracht!

  Heil’ge hemelboden daalden juichend neer.

  Heerlijk klonk hun loflied: ‘Vred’ op aarde” weer.

2

  Heilig Kindje Jezus! U zij dank gebracht,

  Dat Gij werd geboren in die stille nacht.

  Zie, wij buigen dankend bij Uw kribbe neer,

  En wij staam’len: “Heiland, wees ook onze Heer!”

 

Terug naar boven

 

 

LIED 96: 1-3 Stille nacht

1

  Stille nacht, heilige nacht,

  Davids Zoon, lang verwacht,

  Die millioenen eens zaligen zal,

  Werd geboren in Bthlehems stal,

  Hij, der schepselen Heer,

  Hij, der schepselen Heer.

2

  Hulp’loos Kind, heilig Kind!

  Dat zo trouw zondaars mint,

  Ook voor mij hebt Ge-U rijkdom ontzegd.

  Werd Ge-in stro en in doeken gelegd,

  Leer m’ U danken daarvoor,

  Leer m’ U danken daarvoor.

3

  stillen nacht, heilige nacht!

  Heil en vree wordt gebracht

  Aan een wereld, verloren in schuld.

  Gods belofte wordt heerlijk vervuld.

  Amen, Gode zij d’ eer!

  Amen, Gode zij d’ eer!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 97: 1-4 De Herders

1

  Uit liefde kwam de Heer op aard

  En werd een kindje klein,

  En heerlijk klonk, ter ere Gods,

  Het lied van eng’len rein.

REFREIN

    Zing: Ere, ere, ere

    Zij God in de Hoge.

2

  ’t Was slechts een ned’rig kribbeke,

  waar ’t Kindje Jezus lag;

  Geen ander plekje had Gods Zoon

  Tot rustplaats op die dag.

REFREIN

    Zing: Ere, ere, ere

    Zij God in de Hoge.

3

  Slechts arme herder brachten toen

  Aan ’t heilig Kind hun groet.

  Vol eerbied zagen zij op Hem,

  Met dank in hun gemoed.

REFREIN

    Zing: Ere, ere, ere

    Zij God in de Hoge.

4

  Laat ons met hen tot Jezus gaan,

  Met de eng’len zingen blij!

  De Heiland, onze Koning groot,

  Ter ere zingen wij.

REFREIN

    Zing: Ere, ere, ere

    Zij God in de Hoge.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 98: 1-4 Kerstlied

1

  Veertig eeuwen van te voren

  Was de Midd’laar ons beloofd;

  Eind’lijk werd Hij toch geboren,

  Hij de Eng’len Heer en Hoofd!

  Hij, de Redder van ’t Heelal,

  Kwam ter wereld in een stal;

  Als een kindje zwak en teder,

  Lag hij in de kribbe neder.

2

  Een Maria, diep bewogen,

  Zat daar bij haar zuig’ling neer.

  Heil’ge vreugd straald’ uit haar ogen,

  En haar ziel verhief de Heer.

  Ginds in ’t veld van Efrata,

  Zingen Eng’len Gods gena;

  Deden zij deez’ lofzang horen:

  “Jezus Christus is geboren!”

3

  Herders, die hun vee bewaakten,

  Hoorden naar der Eng’len stem,

  En met dank’bre vreugd genaakten

  Zij de krib van Bethlehem

  Wijzen brachten schatten aan,

  Door de sterren voorgegaan;

  Wij, wat zullen wij Hem geven?

  Al de dank van hart en leven!

4

  Alzo lief had God de wereld,

  Dat Hij Zelfs Zijn eigen Zoon,

  Voor die afgevallen wereld,

  Overgaf aan smaad en hoon.

  Kind, hoor toch naar Jezus’ stem,

  Die u roept naar Bethlehem.

  Loof uw Heiland vroeg en spade

  En verheerlijkt Zijn genade.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 99: 1-4 Verhef uw vreugdezangen

1

  Verhef uw vreugdezangen

  Gij blijde kinderschaar!

  De dag van uw verlangen,

  Het Kerstfeest is weer daar!

  Verheug u in de Heiland,

  Die arme zondaars mint.

  Ook u werd Hij geboren,

  Ook u, werd Hij een kind.

2

  Der eng’len lied verkondde

  In ’t veld van Efrata:

  In mensen welbehagen,

  Looft God! Halleluja!

  Verheugt u en zingt mede,

  Wijdt Hem uw kinderlied,

  Verkondigt daarin luide

  ’t is ook voor mij geschied.

3

  Bereid, bereidt uw harten

  Geeft plaats Gods een’ge Zoon.

  Leert Hem ootmoedig danken,

  Voor zoveel gunstbetoon.

  Nog vraagt Hij u te komen

  Tot Hem, zo liefderijk,

  Opdat ook gij moogt wonen,

  In ’s hemels Koninkrijk.

4

  Eens komt de Heiland weder,

  Maar dan in heerlijkheid,

  Om eeuwig te regeren,

  Met macht en majesteit.

  Dan zal zich ieder buigen,

  En Hem verheerlijkt zien,

  Heel de aard’ zal Hem aanbidden,

  En Hem haar hulde biên.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 100: 1-6 In Bethlehems dreven

1

  ’t Was nacht in Bethl’hems dreven,

  een schone stille nacht.

  En trouwe herders beleven

  Bij hunnen kudd’ op wacht.

  En trouwe herders beleven

  Bij hunnen kudd’ op wacht.

2

  Zij hoopten saam, de vromen,

  Zij wachten immer voort,

  Of Jacobs ster zou komen,

  Naar ’t oud profetisch woord.

  Of Jacobs ster zou komen,

  Naar ’t oud profetisch woord. 

3

  En ja, juist in die stonde,

  In deze zelfde nacht,

  Werd hun door eng’len monden

  Het blijde nieuws gebracht.

  Werd hun door eng’len monden

  Het blijde nieuws gebracht.

4

  De Heiland is gekomen

  In Beth’lems kleine stal,

  Die voor miljoenen vromen

  Een Herder wezen zal.

  Die voor miljoenen vromen

  Een Herder wezen zal.

5

  Want d’ allerbeste Herder,

  Die toen op aard verscheen,

  Voert Zijne schaapjes verder

  Dan herders hier beneên.

  Voert Zijne schaapjes verder

  Dan herders hier beneên.

6

  Hij wil Zijn kudde leiden,

  Zij ’ t ook door leed of kruis,

  Naar d’eeuwig groene weiden

  Van ’t Hemels Vaderhuis.

  Naar d’eeuwig groene weiden

  Van ’t Hemels Vaderhuis.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 101: 1-3 Wat al de eeuwen saâm verwachtten

1

  Wat al de eeuwen saâm verwachtten

  Is in Bethlehem geschied

 Toen daar d’ eng'len in hun lied

  Aan deez’ aard’ de blijmaar brachten,

  Aan deez’ aard’ de blijmaar brachten:

  Vreed’ op aard’! Vreed’ op aard’!

  Vreed’ op aard’! aan God zij d’eer,

  Die bewogen uit de hoge

  Op het mensdom zag ter neêr.

2

  Zie ze staan die vrede scharen,

  Mannen Gods, profeten,

  die bij het licht der profetie

  wachten op de blijde mare,

  wachten op de blijde mare:

  Jezus komt! Jezus komt!

  Jezus komt! Der eeuwen wens!

  Om te leven en te sneven,

  Zich te geven voor de mens.

3

  Jezus komt en is gekomen!

  Galmt het nu de wereld door.

  Mengt uw stemmen, kinderkoor,

  In die jubelzang der vromen,

  In die jubelzang der vromen.

  Want Hij kwam, want Hij kwam,

  Want Hij kwam die u bemint,

  Om te strijden en te lijden,

  U te wijden tot Gods kind.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 102: 1-3 Wat geen oog ooit had aanschouwd

1

  Wat geen oog ooit had aanschouwd,

  ’t oor niet had vernomen;

  Zelfs in ’t hart met God vertrouwd

  Nooit was opgekomen,

  Dat heeft God

  als het lot,

  ’t erfdeel van de Zijnen,

  heden doen verschijnen.

2

  Nu, nu hebben wij ’t gehoord,

  En onze-ogen zagen.

  Ja, de handen tasten ’t Woord,

  ’s Vaders wel behagen.

  ’t Is geschied,

  en God biedt

  ons het volle leven

  Heden is ’t gegeven.

3

  Zalig ’t oor, dat horen mag

  Meer dan Gods profeten,

  Zalig ’t oog, dat dieper zag

  Dan zij mochten weten.

  Wat met drang

  Eeuwenlang

  Vurig werd gebeden:

  Meer nog gaf God heden.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 103: 1-3 Welk een maar’ o herderscharen!

1

  Welk een maar’ o herderscharen!

  Wordt in ’t veld

  u gemeld!

  Laat uw kudde varen!

  Luister met aandachtig’ oren

  Naar het woord,

  Dat gij hoort:

  “Christus is geboren!”

2

  Stil eerbiedig toegetreden!

  Ziet, gij vindt

  ’t Heilig Kind,

  ’t Kind van veel gebeden.

  ’t Hoogste heil is d’ aard beschoren!

  Brengt de Heer

  Lof en eer!

  “Christus is geboren!”

3

  Looft uw God: Hij mint u teder!

  O, mijn ziel

  Buig en kniel

  Bij uw Heiland neder!

  Laat hier niets uw aandacht storen;

  Overdenk

  ’t Godsgeschenk:

  “Christus is geboren!”

 

Terug naar boven

 

 

LIED 104: 1-2 Het wonder van Jezus’ geboorte

1

  Wie zou ’t wonder ooit doorgronden

  ’t Wonder van de heil’ge nacht,

  toen daar eng’len ons verkonden,

  wat ons vreed’ en redding bracht.

  Eer zij God! Nu is gekomen

  Jezus, redder van ’t heelal

  Die de schuld heeft weggenomen;

  Ons met God verzoenen zal.

2

  Uit Zijn rijkdom kwam Hij neder,

  Werd in alles ons gelijk;

  Maar Zijn armoe schonk ons weder

  ’t heerlijk hemels Koninkrijk.

  In ons zelve diep verloren,

  Dwaalden wij langs donk’re paan;

  Maar nu Jezus is geboren,

  Mogen wij tot God weer gaan.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 105: 1 Danklied op het Kerstfeest

1

  Wij danken U, o Vader,

  Voor wat ge-ons hebt bereid;

  Wij danken voor de zegen,

  Die ’t Kerstfeest heeft verspreid.

  Geef trouwe, lieve Vader,

  Dat voor ons al te gader,

  Dit Kerstfeest schoon en blij,

  Gezegend zij!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 106: 1-4 De wijzen van ‘t Oosten

1

  Wijzen van ’t Oosten,

  Komt gij ons troosten?

  Zoekt gij ijv’rig het Kindekijn?

  Reist gij van verre,

  Volgt gij de sterre,

  Die u geleide,

  ’t pad u bereide

  gij zult ons hart tot bemoediging zijn.

2

  Waar ’t onverschillig

  Isrel onwillig

  ’t Woord zijn Heeren vergeten had,

  leerde-u Gods hemel,

  starrengewemel,

  ’t oudste der boeken,

  ’t Kindeke zoeken,

  wees u Gods vinger naar Bethlehems stal.

3

  Komt ons beschamen!

  Knielen wij samen

  Naast u need’rig voor Isrels Heer;

  Brengen wij hier ook,

  Goud aan en wierook,

  Mirre vol geure,

  Al wat de keure

  Onzer geschenken vermag tot Zijn eer.

4

  Hebben de Zijnen

  Bij Zijn verschijnen

  Hem vergeten, miskend en veracht,

  Liet zich de Heiden

  Tot Hem geleiden,

  Op onze beden

  Worden ook heden

  Zielen van verre tot Jezus gebracht.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 107: 1-3 De leeuw uit Juda’s stam

1

  Zijt welkom! Juda’s sterke Leeuw!

  Uit Davids hoog geslachte,

  Met ongeduld van eeuw tot eeuw

  Gebeden, lang verwachte!

  Zie alles buigt neer

  voor U, onze Heer;

  De zonne verdwijnt,

  Zodra Gij verschijnt;

  O Licht van licht!

  Daar ’t al voor zwicht,

  Voor U, verbleekt de dag

  en wijkt met diep ontzag.

  O Licht te middernacht,

  Zijt welkom in uw pracht.

2

  Zijt welkom, machtig Koningszoon,

  Uit d’ oude stam gesproten;

  Zijt welkom van Uws Vaders troon,

  Beroemdste van de groten!

  Een stem wordt gehoord:

  “Doet open de poort!

  Rijst deuren omhoog,

  Verhoogt nu de boog!

  Maak ’t pad gereed,

  Waar langs Hij treedt.

  Uw Vorst, Jeruzalem

  Is reeds te Bethlehem:

  “Gaat uit, valt Hem te voet,

  brengt Hem u welkomstgroet!’

3

  Zijt welkom, grote Wereldvorst!

  Die dus in sob’re doeken

  Uw Majesteit verbergen dorst

  Uw dienaars komt bezoeken!

  Gij Vorst van ’t Heelal,

  In need’rige stal!

  Gij krachtige Held,

  Door niemand verzeld!

  Dit is Uw eer,

  Grootmachtig Heer:

  Alleen, alleen op aard,

  Alleen een mensdom waard.

  Zo blinkt Uw majesteit

  in al haar heerlijkheid!

 

Terug naar boven

 

 

LIJDENSWEKEN

LIED 108: 1-8 Als ik in gedachten sta

1

  Als ik in gedachten sta

  Bij het kruis van Golgotha,

  Als ik hoor wat Jezus sprak

  Voor Zijn oog aan ’t kruishout brak.

2

  Hoe nog stervende Zijn mond

  Troost voor vriend en moeder vond,

  Weet ik: “Hij vergeet ons niet,

  Schoon Hij stervend ons verliet.’

3

  Hoor ik dan, hoe Jezus bad

  Voor wie Hem gekruisigd had,

  ’t weet dan: ‘Bij de Heiland is

  ook voor mij vergiffenis.”

4

  Zie ik, hoe genaad’ ontving,

  Die met hem aan ’t kruishout hing,

  ‘k bid, mij voelend hem gelijk,

  “Heer, gedenk mij in Uw rijk!’

5

  Hoor ik, hoe Hij klaagde, dat

  Hem Zijn God verlaten had,

  ‘k weet dan, wat mij ook ontvall’,

  God mij nooit verlaten zal!

6

  Hoor ik, hoe Hij riep: ‘Mij dorst!’

  Dan roep ik: “O Levensvorst,

  Gij, Gij naamt de bitt’re dronk,

  Die deez’ aard verzoening schonk!”

7

  Op Zijn kreet: “Het is volbracht!”,

  Antwoordt mijn aanbidding zacht:

  “Jezus, ook voor mij verwierft

  Gij verlossing, toen Gij stierft.”

8

  Hoor ik, hoe het laatst van al

  Hij Zijn geest aan God beval,

  Weet ik ook mijn geest en lot

  In de handen van mijn God.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 109: 1-3 Is dat, is dat mijn Koning?

1

  Is dat, is dat mijn Koning?

  Dat aller vaad’ren wens?

  Is dat, is dat Zijn kroning?

  Zie, zie aanschouw de mens!

  Moet Hij dat spotkleed dragen?

  Dat riet, die doornenkroon?

  Lijdt Hij die smaad, die slagen,

  Hij, God, Uw eigen Zoon?

2

  Ja, ik kost Hem die slagen,

  Die smarten en die hoon;

  Ik doe dat kleed Hem dragen,

  Dat riet, die doornenkroon;

  Ik sloeg Hem al die wonden,

  Voor mij moet Hij daar staan;

  Ik deed door mijne zonden

  Hem al die jamm’ren aan.

3

  O Jezus! Man van smarten,

  Gij, aller vad’ren wens!

  Herinner aller harten,

  ’t aandoenlijk: “Zie de mens!”

  Laat mij toch nooit vergeten

  Die kroon, dat kleed, dat riet!

  Dit trooste mijn geweten:

  ’t Is al voor mij geschied!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 110: 1-4 ’t Is middernacht

1

  ’t Is middernacht, en in de hof

  buigt, tot de dood bedroefd, in ’t stof

  de Levensvorst; in Zijn gebeên

  doorworsteld Hij Zijn strijd alleen.

2

  ’t Is middernacht, maar hoe Hij lijdt,

  Zijn jong’ren slapen bij die strijd;

  En derven, afgemat in rouw,

  De aanblik op des Meesters trouw.

3

  ’t Is middernacht, maar Jezus waakt,

  en ’t zielelijden dat Hij smaakt,

  bant uit Zijn hart de bede niet:

  Mijn Vader, dat Uw wil geschied’

4

  ’t Is middernacht, en ’t Vaderhart

  sterkt en verstaat de Man van smart,

  Die ’t enig lijden, dat Hij torst,

  ten eind doorstrijdt als Levensvorst.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 111: 1-6 Kruis van Jezus, stille kracht

1

  Kruis van Jezus, stille kracht,

  Die mij tot de Vader bracht,

  Spreid Uw armen overal,

  Opdat elk Hem loven zal.

2

  Kruis van Jezus, stille kracht,

  Schijnend in des zondaarsnacht

  Teken van des mensen Zoon,

  Spreid Uw glorie nu ten toon.

3

  Kruis van Jezus, stille kracht,

  Zie, hoe alles naar U smacht;

  Wanneer wordt hij, die nog dwaalt,

  Door Uw lichtglans eens bestraald?

4

  Kruis van Jezus antwoordt zacht:

  “Waarop is het, dat gij wacht?

  Draag Uw deel der wereldsmart;

  Laat mij heersen in uw hart!”

 

Terug naar boven

 

 

LIED 112: 1-3 Leer mij, o Heer

1

  Leer mij, o Heer, Uw lijden recht betrachten,

  In deze zee verzinken mijn gedachten:

  O Liefde die, om zondaars te bevrijden,

  Zo zwaar woudt lijden!

2

  ‘k Zie U, God zelf, in eeuwigheid geprezen,

  tot in de dood als mens gehoorzaam wezen,

  in onze plaats gemarteld en geslagen,

 de zonde dragen.

3

  Hoor ’t ooit Uw kruis door wereldwijzen doemen,

  Een ergernis of ene dwaasheid noemen,

  Och, dat het mij, wie ooit er spot mee drijve,

  Gods wijsheid blijve.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 113: 1-3 Mijn Verlosser hangt aan ‘t kruis

1

  Mijn Verlosser hangt aan ’t kruis,

  Hangt ten spot van snode  smaders,

  Zoon des Vaders,

  Waar is toch Uw almacht thans,

  Waar Uw goddelijke glans.

2

  Mijn Verlosser hangt aan ’t kruis,

  En Hij hangt er mijnentwegen,

  Mij ten zegen.

  Van de vloek maakt Hij mij vrij,

  En Zijn sterven zaligt mij.

3

  Mijn Verlosser hangt aan ’t kruis,

  Ook voor mij heeft Hij Zijn leven

  Veil gegeven.

  Brand, mijn hart, ontbrand in gloed

  Jegens Hem, mijn hoogste goed.

4

  Mijn Verlosser hangt aan ’t kruis,

  En ik zou in droeve dagen

  Troost’loos klagen?

  Klagen, neen! Bij dit gezicht

  Valt de zwaarste last mij licht.

5

  Mijn Verlosser hangt aan ’t kruis,

  ‘k Heb mij, Heer, in dood en leven

  U gegeven.

  ‘k Leef, in vreugd en tegenheên,

  ‘k leef en sterf voor U alleen.

 

Terug naar boven

 

 

PAASFEEST

LIED 114: 1-3 Christus, onze Heer, verrees

1

  Christus, onze Heer, verrees

  Halleluja!

  Heil’ge dag na angst en vrees,

  Halleluja!

  Die ten dode ging aan ’t kruis,

  Halleluja!

  Bracht ons in Gods vrijheid thuis,

  Halleluja!

2

  Prijst nu Christus in ons lied,

  Halleluja!

  Die in heerlijkheid gebiedt,

  Halleluja!

  Die aanvaardde kruis en graf,

  Halleluja!

  Dat Hij zondaars ’t leven gaf,

  Halleluja!

3

  Maar Zijn lijden en Zijn strijd,

  Halleluja!

  Heeft verzoening ons bereid,

  Halleluja!

  Nu is Hij der heem’len Heer,

  Halleluja!

  Eng’len juub’len Hem ter eer,

  Halleluja!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 115: 1-4 Daar juicht een toon

1

  Daar juicht een toon, daar klinkt een stem,

  Die galmt door gans Jeruzalem;

  Een heerlijk morgenlicht breekt aan,

  De Zone Gods is opgestaan!

2

  Geen graf hield Davids Zoon omknelt,

  Hij overwon, die sterke Held,

  Hij steeg uit ’t graf door eigen kracht,

  Want Hij is God, bekleed met macht.

3

  Nu jaagt de dood geen angst meer aan,

  Want alles, alles is voldaan,

  Die met geloof op Jezus ziet,

  Die vreest voor dood of helle niet.

4

  Want nu de Heer is opgestaan,

  Nu vangt het nieuwe leven aan,

  Een leven, door Zijn dood bereid,

  Een leven in Zijn heerlijkheid.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 116: 1-3 Ik zeg het allen

1

  Ik zeg het allen, dat Hij leeft,

  Dat Hij verrezen is,

  Dat Hij te midden van ons leeft

  En eeuwig bij ons is.

2

  Verzonken in de diepe zee

  Is ’t vrezen voor de dood,

  En elk kan schouwen boven ’t wee

  Der toekomst morgenrood.

3

  Hij leeft en zal nabij ons zijn,

  Waar alles ons verlaat,

  En zo zal deze dag ons zijn

  Een hemeldageraad.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 117: 1-3 Jezus is ons licht en leven

1

  Jezus is ons licht en leven!

  Hij, die zich aan ’t kruis gegeven,

  Met Zijn bloed ons heeft gekocht,

  Heeft nu vorst’lijk overmocht.

  ’s Vijands waap’nen, vaandels, banden,

  zijn in ’s Overwinnaars handen,

  Halleluja! Halleluja

2

  Hij heeft als een held gestreden,

  Hel en duivel fors vertreden;

  Voortaan schaadt geen vijand meer,

  Ook al woedt hij nog zo zeer.

  Laat dan Sions blijde psalmen

  Luid’ en overal weergalmen!

  Halleluja! Halleluja

3

  ’t Leven heeft de dood verslonden,

  ’t graf is ledig en geschonden;

  Dood waar is uw overmacht?

  Waar uw prikkel! Waar uw kracht?

  ’s Heeren vrijgekochten hopen,

  want de hemel gaat hun open.

  Halleluja! Halleluja

 

Terug naar boven

 

 

LIED 118: 1-4 Jezus, leven van mijn leven

1

  Jezus, leven van mijn leven,

  Jezus, dood van mijn dood,

  Die voor mij U hebt gegeven,

  In de bangste zielenood,

  Opdat ik niet hoop’loos sterven,

  Maar Uw heerlijkheid zou erven,

  Duidend, duizend maal, o Heer

  Zij U, daarvoor dank en eer!

2

  Gij, o Jezus, hebt gedragen,

  Lasteringen, spot en hoon,

  Zijt gebonden en geslagen

  Gij, des Vaders eigen Zoon,

  Om van schuld en eeuwig lijden

  Mij, verloor’ne, te bevrijden,

  Duidend, duizend maal, o Heer

  Zij U, daarvoor dank en eer!

3

  Heer, Verzoener van mijn zonden,

  Heiland die mij hebt gezocht,

  Die mijn boeien hebt ontbonden

  En voor God mij vrijgekocht,

  Ik, onrein in schuld verloren

  Ben opnieuw in U geboren:

  Duidend, duizend maal, o Heer

  Zij U, daarvoor dank en eer!

4

  Dank, mijn Heiland, voor Uw lijden,

  Voor Uw bitt’re bange nood,

  Voor Uw heilig, biddend strijden,

  Voor U trouw tot in de dood,

  Voor de wonden, U geslagen,

  Voor het kruis, door U gedragen;

  Duidend, duizend maal, o Heer

  Zij U, daarvoor dank en eer!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 119: 1-3 Laat ons loven

1

  Laat ons loven, laat ons juichen,

  Nu de Heer is opgestaan!

  Alles moet voor Hem zich buigen,

  Die voor zondaars heeft voldaan.

  Laat ons loven, laat ons juichen,

  Want de Heer is opgestaan!

2

  Voor het eerste morgendagen

  Rees Hij heerlijk uit het graf;

  Dood en hel heeft Hij verslagen,

  Die voor ons Zijn leven gaf.

  Laat ons loven, laat ons juichen,

  Hij rees heerlijk uit het graf!

3

  Jezus leeft en nu zal leven

  Ieder, die in Hem gelooft!

  Jezus zal ons nooit begeven,

  Dat heeft Hij ons Zelf beloofd.

  Laat ons loven, laat ons juichen,

  Dat heeft Hij ons zelf beloofd!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 120: 1-2 Levend gemaakt in Christus

1

  Sterven Adams nageslachten,

  Christus’ leden leven weer;

  Zwarte zonden, duist’re machten,

  Vluchten voor des levens Heer,

  Halleluja! Heft nu aan,

  Hij is waarlijk opgestaan!

2

  Allen, die in Adam sterven,

  Hoort de roepstem: ‘Christus leeft!”

  Die Gods heerlijkheid moest derven,

  Hoort, hoe God ze-u weder geeft.

  Christus brengt u ’t leven aan,

  Hij is waarlijk opgestaan!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 121: 1-4 Pasen

1

  Opgestaan van uit de doden

  Is de lieve Heer:

  Meldt het, Evangelieboden,

  meldt het heind’ en veer.

  Opgestaan van uit de doden

  Is de lieve Heer:

  Meldt het, Evangelieboden,

  meldt het heind’ en veer.

2

  Uit het graf is Hij verrezen,

  D’ Overwinnaar, Held,

  Komt nu, kind’ren, Hem geprezen,

  En Zijn lof vermeld.

  Uit het graf is Hij verrezen,

  D’ Overwinnaar, Held,

  Komt nu, kind’ren, Hem geprezen,

  En Zijn lof vermeld.

3

  Had Hij niet de dood verslagen,

  ’t mensdom waar vergaan.

  Maar nu wij Zijn opstaan zagen,

  Zijn w’ óók opgestaan.

  Had Hij niet de dood verslagen,

  ’t mensdom waar vergaan.

  Maar nu wij Zijn opstaan zagen,

  Zijn w’ óók opgestaan.

4

  Heer, laat nu Uw schijnsel dalen

  Op ons aangezicht;

  Tot w’ Uw heerlijkheid zien stralen

  In het eeuwig licht.

  Heer, laat nu Uw schijnsel dalen

  Op ons aangezicht;

  Tot w’ Uw heerlijkheid zien stralen

  In het eeuwig licht.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 122: 1-2 Paasvreugd

1

ENIGE

  Waarom zijn toch op het Paasfeest

  ook de kind’ren zo vol vreugd?

ANDEREN

  Wel hebt gij dan niet vernomen,

  Wat reeds duizenden verheugd?

ALLEN

  Hoe de Heer, bedekt met wonden,

  Ook voor uw’ en onze zonden

  Stierf aan ’t kruis op Golgotha?

  Ook voor uw’ en onze zonden

  Stierf aan ’t kruis op Golgotha?

2

ENIGE

  Maar wat heeft men aan een Heiland,

  Die in ’t graf is neergelegd?

ANDEREN

  Onze Heiland is verrezen!

  Heeft Hij ’t niet vooruit gezegd?

ALLEN

  Neen, de Heer van dood en leven

  Is niet in het graf gebleven,

  Is niet in het graf gebleven,

  Hij is waarlijk opgestaan!

  Is niet in het graf gebleven,

  Hij is waarlijk opgestaan!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 123: 1-2 De Levensvorst

1

  Vorst des levens en des doods

  Heiland onzer zielen!

  Zie ons hier met lof en dank

  Voor U nederknielen.

  Gij zijt in de dood gegaan

  En verheerlijkt opgestaan;

  Uit der graven duister

  Bracht Gij licht en luister!

2

  Aan Uws Vaders rechterhand

  Op het hoogst verheven,

  Hebt Gij ons Uw Geest ten pand

  Van Uw trouw gegeven.

  Doe ons o, verheerlijkt Hoofd!

  Wat G’ Uw jong’ren hebt beloofd:

  Deel ons Uwe vrede

  Nu en altijd mede!

 

Terug naar boven

 

 

HEMELVAART

LIED 124: 1 Kom, luistert allen

1

  Komt, luistert allen, groot en klein,

  Wat ons de Heer verklaarde,

  Voordat Hij naar de Hemel ging

  En scheidde van deez’ aarde:

  “In ’t heerlijk, hemels Vaderhuis

  daar zal Ik u verbeiden;

  Ik ga thans heen en zal voor u,

  Mijn kind’ren plaats bereiden.”

 

Terug naar boven

 

 

LIED 125: 1-3 Op een lichte wolkenwagen

1

  Op een lichte wolkenwagen

  Wordt de Heer van d’ aard gedragen.

  Vaart Hij op naar ’s hemels troon,

  Vaart hij op naar ’s Hemels troon.

  Alles moet voor Hem zich buiten;

  Ied’re tong Zijn lof getuigen,

  En Hem eren als Gods Zoon,

  En Hem eren als Gods Zoon!

2

  Vorsten, machten, krachten, tronen;

  Zij die ’t hemelrijk bewonen,

  Eren Jezus heerlijkheid

  Eren Jezus’ heerlijkheid.

  Alle macht is Hem gegeven;

  En wat leeft en nog zal leven,

  Is tot Zijne dienst bereid,

  Is tot Zijne dienst bereid!

3

  Geeft, o zondaars, Hem uw harten;

  Klaagt, o kranken, Hem uw smarten,

  Zegt, o armen, Hem uw nood,

  Ziet, Hij stierf om u het leven,

  Rijkdom, vrede, vreugd te geven,

  Eeuwig leven na de dood,

  Eeuwig leven na de dood!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 126: 1-2 Ziet de Heer daar henenvaren

1

  Ziet de Heer daar henenvaren

  Voor der jong’ren oog,

  ’t welkom van de Eng’lenscharen

  wacht Hem daar omhoog,

  Als een kindje kwam hij neder

  In de stille nacht,

  Als een koning keer Hij weder,

  Die Zijn werk volbracht.

2

  Laat ons overal verhalen;

  Jezus ging van d’ aard

  Naar de blijde hemelzalen

  Tot de troon, Hem waar.

  Aan Gods rechterhand gezeten,

  Ginds in heerlijkheid,

  Zal hij nimmer hen vergeten,

  Die Hij plaats bereidt.

 

Terug naar boven

 

 

PINKSTERFEEST

LIED 127: 1-4 Heer, ik hoor van rijke zegen

1

  Heer, ik hoor van rijke zegen,

  Die Gij uitstort, keer op keer.

  Laat ook van die milde regen

  dropp’len vallen op mij neer,

  ook op mij, ook op mij,

  dropp’len vallen ook op mij!

2

  Ga mij niet voorbij, o Vader!

  Zie, hoe mij mijn zonde smart.

  Trek mij met Uw koorden nader,

  Stort Uw liefd’ ook in mijn hart,

  Ook in mij, ook in mij,

  Stort Uw liefd’ ook uit in mij!

3

  Ga mij niet voorbij, o Herder,

  Maak mij gans van zonde vrij.

  Vloeit de stroom van zegen verder,

  Zegen and’ren, maar ook mij!

  Ja, ook mij, ja ook mij.

  Zegen and’ren, maar ook mij!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 128: 1-3 Heil’ge Geest, Gij Troost en Raad

1

  Heil’ge Geest, Gij Troost en Raad,

  Waart de Christus gaat of staat!

  Leid ons aan Uw trouwe hand

  Veilig door dit woeste land.

  Zijn wij mat, geef ons dan hoop,

  Sterk ons in de pelgrimsloop,

KOOR:

    Uw nabij zijn geeft ons rust

    Op de reis naar ’s hemels kust.

2

  Trouwste vriend, blijf ons nabij,

   In verzoeking steeds ter zij.

  Opdat vrees noch twijfel ’t licht

  Van mij wegneemt en ik zwicht.

  Uw nabijheid geeft voorwaar

  rust in ’t aller grootst gevaar.

KOOR

3

  Richt Gij steeds ons geestesoog

  Opwaarts tot de troon omhoog,

  Waar de Hogepriester zit

  En voor Zijne kind’ren bidt;

  Opdat door die blik ons hart

  Rust, zelfs in de grootste smart.

KOOR

 

Terug naar boven

 

 

LIED 129: 1 Pinkstergebed

1

  Hoor, o Vader, onze beden:

  Geest van God daal in ons neer!

  Richt ook onze kinderschreden,

  Leer ons leven U te eer!

  Vrolijk, vriend’lijk aller wegen,

  Vroom van hart en blij van Geest,

  Dan wordt ook voor ons ten zegen,

  ’t Schoon en heerlijk Pinksterfeest!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 130: 1-2 Kom, Heil’ge Geest, daal neder

1

  Kom, Heil’ge Geest, daal neder,

  Als op het Pinksterfeest;

  Maak onze harten teder,

  Daal neder, Heil’ge Geest.

  Ach, steeds zijn onze zinnen

  Naar ’t aardse heen gericht;

  Kom Goede Geest, daarbinnen,

  En maak het duister licht.

2

  Leer ons de Heiland kennen,

  Hem minnen, meer en meer,

  Leer aan Zijn dienst ons wennen,

  Die kiezen keer op keer.

  Doe ons de Vader eren,

  Die in de Zoon ons mint;

  Wil ons in alles leren,

  Maak hemels ons gezind.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 131: 1 Pinksterlied

1

  Kom, Heil’ge Geest, vervul mij gans

  Met Uwe milde zegen thans,

  O Geest der eeuw’ge liefde!

  O maak mij van mijn zonden rein

  En laat geheel gewijd U zijn

  Al mijnes harten liefde.

  Laat m’ U geven heel mijn leven,

  Laat m’ U al mijn zinnen schenken,

  Om U immer te gedenken.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 132: 1-10 Maakt Gij Heer, zo hoog, zo rein

1

  Maakt Gij Heer, zo hoog, zo rein,

  in ons hart Uw woning?

  Is dat hart niet veel te klein

  Voor zo grote Koning?

  Staat dat in Uw heilig Woord

  Waarlijk zo te lezen?

  Heeft mijn oor dat goed gehoord?

  Zou dat moog’lijk wezen?

2

  Uw paleis is heerlijk, schoon!

  En de hemel koren

  Scharen zich rondom Uw troon,

  Doen hun loflied horen.

  Heb ik dan wel goed verstaan,

  Wat Gij liet beschrijven?

  Kunt Gij in mijn harte gaan

  En daar altijd blijven?

3

  Doe mij toch begrijpen Heer!

  Wat Gij moogt bedoelen,

  Zeg het nog eens goed en leer

  Bovenal ’t mij voelen.

  Zend dan op het Pinksterfeest,

  Om dat uit te leggen,

  Ook aan mij Uw Heil’ge Geest,

  Laat Hij ’t duid’lijk zeggen.

4

  Zal niet dit Uw antwoord zijn:

  “’t Is gelijk de stralen,

  ’t Is gelijk de zonneschijn,

  die op de aard komt dalen.

  Als door ’t open venster heen

  Licht en warmte stromen,

  Zal de volle zon meteen

  Ook naar binnen komen!”

 

Terug naar boven

 

 

LIED 133: 1-3 Pinksterlied

1

  Toen de Heiland naar de Hemel

  keerd’ als aller Heer en Hoofd,

  Heeft Hij aan de kring der Zijnen

  Eerst de Heil’ge Geest beloofd,

  Op het heerlijk Pinksterfeest

  Zond de Heer de Heil’ge Geest.

2

  Saamvergaderd in de Tempel

  Werd een groot geluid gehoord,

  En de Geest kwam neer op aarde

  Naar het oud profetenwoord.

  Op het heerlijk Pinksterfeest

  Zond de Heer de Heil’ge Geest.

3

  Toen weerklonk, in vreemde talen,

  Wat de Heiland heeft gedaan,

  Hoe Hij na Zijn bitter lijden,

  Uit de dood was opgestaan.

  Op het heerlijk Pinksterfeest

  Zond de Heer de Heil’ge Geest.

 

Terug naar boven

 

 

ZENDINGSLIEDEREN

LIED 134: 1-3 Gij gaaft ons, Heer, een rijke zegen

1

  Gij gaaft ons, Heer, een rijke zegen,

  In ’t Evangelie van Uw Zoon;

  O, laat Zijn woord op ’t hart ons wegen:

  “wees van Mijn kruis de blijde boön!”

  Leer ons in zegeningen zaaien

  Opdat we in zegeningen maaien.

2

  Steun hen, die aan de verre stranden

  Als vredeboden eenzaam staan,

  Zijn zij vermoeid, beur op hun handen,

  Versterk hun knieën onder ’t gaan.

  Zij werken, Heer, op Uwe akker,

  Roep door hun stem de doden wakker!

3

  Wij horen, Heer, van Uw erbarmen

  Waarmee Gij heid’nen tot U trekt;

  En voelen ons het hart verwarmen,

  Door ’t nieuwe leven dat Gij wekt.

  Och, dat Uw Geest dat leven schrage,

  Opdat het rijpe vruchten drage.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 135: 1-4 Hoor des Heilands vriend’lijk noden

1

  Hoor des Heilands vriend’lijk noden:

  ‘Wilt gij tot Mijn akker gaan?’

  d’ Oogst is rijp en beidt de maaier,

  op zijn sikkel wacht het graan.

  Luid en dringend roept de Meester,

  En een vorst’lijk loon schenkt Hij.

  O, wie hoort Hem en zegt dankbaar:

  “Heer, hier ben ik, zend ook mij.”

2

  Kunt g’ al niet aan verre stranden,

  Heid’nen winnen door uw woord,

  Zie, nabij u leven heid’nen

  In een nacht van zonde voort.

  Mist gij ’s rijken goud en zilver,

  Toch der weduw penning niet:

  Jezus loont zelfs, wie vermoeiden

  Slecht een beker water biedt.

3

  Spreekt gij niet der eng’len talen,

  Mist gij Paulus’ gave-en kracht,

  Toch kunt gij in eenvoud zeggen,

  Wat voor u, de Heer volbracht.

  Delft gij ’t woord, dat goddelozen

  Voor Gods oordeel sidd’ren doet,

  Toch kunt gij de kind’ren zeggen:

  “Onze God is eind’loos goed.”

  AMEN.

4

  Dekk’ u nooit het woord der traagheid:

  “Wat zou ik, die niets vermag?”

  O, genoeg zij ’t u, dat Jezus

  Vragend op u nederzag.

  Doe, wat hij begeert, blijmoedig,

  Dat Zijn werk uw vreugde zij;

  Laat Hem blij uw antwoord horen:

  “Heer, hier ben ik, zend ook mij.”

  AMEN

 

Terug naar boven

 

 

LIED 136: 1-3 Hoort gij die stemme

1

  Hoort gij die stemme,

  roepend uit de verte,

  Smekend om redding?

  ’t Is een stem der smarte;

  ’t Klinkt als een angstkreet,

  afgeperst aan ’t harte,

  biddend en klagend.

2

  Hoort toch gij Christ’nen,

  ’t heidendom vraagt hulpe;

  Ziet! ’t Heft ten hemel

  De gebonden handen.

  O, ’t zijn uw broeders,

  Denkt aan hunne banden

  Brengt hun uw Heiland.

3

  Zegt de gebond’nen:

  Hier is uw Verlosser;

  Hij, die u lief heeft,

  Wilde voor u lijden;

  Wil van uw zonden

  eeuwig u bevrijden

  Hij draagt uw noden.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 137: 1-3 ’t Uwe zaak

1

  ’t Is Uwe zaak, o Hoofd en Heer!

  De zaak waarvoor wij staan,

  En daar het geldt Uw zaak, Uw eer,

  Kan zij niet ondergaan;

  Maar ’t tarwe graan, opdat het blij

  Ontspruit en groei en vruchtbaar zij

  Moet sterven in der aarde schoot;

  Eerst aan het eigen leven dood,

  Door sterven dood,

  Aan ’t eigen leven dood!

2

  Uw weg ten hemel ging langs ’t kruis,

  O Jezus, Gij ons Hoofd,

  Zo leidt G’ ook naar het Vaderhuis

  Een ieder die gelooft,

  Doe ons maar delen evenzeer,

  In ’t lijden en de zege, Heer,

  En breng ons dan uit alle nood

  Omhoog in ’t licht door dienst bereid,

  Door Uwe dood, door uwe dood

  In ’t licht door uwe dood!

3

  Hoe zouden wij als droeve bannelingen

  Gij zelf stierf als het tarwegraan,

  En daalder neer in ’t graf.

  Breng Gij de wereld ’t leven aan,

  Die U de Vader gaf.

  Zend boden over ’t wereldrond;

  Eens klink’ Uw naam uit aller mond;

  Uw naam zo vol van heerlijkheid.

  Ook wij staan tot Uw dienst bereid,

  Ten dienst bereid ten dienst bereid

  Door kamp en strijd.

  AMEN

 

Terug naar boven

 

 

LIED 138: 1-6 Neemt, o Christ’nen, neemt ter harte

1

  Neemt, o Christ’nen, neemt ter harte,

  Al d’ ellenden, al de smarten,

  Waar de heiden onderzucht.

2

  Ziet hem voor zijn afgod knielen,

  Die de smeking zijner ziele

  Niet verstaat en niet verhoort.

3

  Ziet hem tal van offeranden,

  Op het bloedig altaar branden,

  Zonder dat hij vrede vindt.

4

  Ziet hem in de groeve dalen,

  Zonder dat de hoop haar stralen

  Schijnen doet voor ’t brekend oog.

5

  Weest, o Christ’nen, weest bewogen

  Met die duizenden, gebogen

  Onder ’t wee van zonde en smart.

6

  En doet hun de heilmaar’ horen:

  Jezus Christus is geboren.

  Is geboren ook voor u!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 139: 1-6 Het Evangeliewoord

1

  Roept uit aan alle stranden,

  Verbreidt van oord tot oord,

  Verkondigt alle landen

  Het Evangeliewoord,

  Het Evangeliewoord!

2

  Roept uit de Heer der Heren

  Als aller volken vriend!

  De volken moeten leren,

  Wat hun tot vrede dient,

  Wat hun tot vrede dient!

3

  Verbreekt de werde-altaren

  En bouwt des Heeren huis.

  De wereld moet zich scharen,

  Zich scharen om Zijn kruis,

  Zich scharen om Zijn kruis!

4

  De doven moeten horen,

  D’ onkundigen verstaan,

  De blinden ’t heillicht gloren,

  De kreup’len leren gaan!

  De kreup’len leren gaan!

5

  De treurende vergeten

  Hun leed en droefenis,

  En al wat arm is, weten

  Dat daar een Heiland is!

  Dat daar een Heiland is!

6

  Roept uit aan alle stranden,

  Verbreidt van oord tot oord,

  Verkondigt alle landen

  Het Evangeliewoord!

  Het Evangeliewoord!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 140: 1-2 De ark des behouds

1

  ’t Scheepke onder Jezus’

  hoede met zijn kruisvlag hoog in top,

  neemt als arke der verlossing,

  allen, die in nood zijn, op.

  En sta de zee al hol en hoog,

  En zweep’ de storm ons voort,

  Wij hebben ’s Vaders Zoon aan boord,

  En ’t veilig strand voor oog.

2

  Arme zondaar, zie de kruisvlag,

  Wapp’rend langs de oceaan!

  Komt tot Jezus, wie Hem volgen,

  Kan geen noodstorm doen vergaan.

  Dies klinkt als psalm tot God omhoog

  Ons vrolijk dankaccoord:

  “Wij hebben ’s Vaders Zoon aan boord,

  en ’t veilig strand voor oog.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 141: 1-3 Trek uit, wakk’re schaar

1

  Trek uit, wakk’re schaar,

  Ten heilige strijd!

  Al dreigt u gevaar,

  Één helpt u altijd;

  Mag sterrenglans doven,

  De nevel zij dicht,

  Blikt hoopvol naar boven,

  Bij Jezus is ’t Licht.

2

  En als voor uw hart

  Geen scheem’ring meer gloort,

  En grievende smart

  Uw vrede verstoort;

  Verduist’ren ook tranen

  Een wijl het gezicht,

  Straks zwijgen de-orkanen,

  Bij Jezus is ’t Licht.

3

  En hangt om u heen

  Der afgoden nacht,

  Blijft lang met geween

  De morgen verwacht,

  Toch zij al uw hopen

  naar boven gericht

  De hemel is open:

  Bij Jezus is ’t Licht.

  AMEN

 

Terug naar boven

 

 

LIED 142: 1-7 Mag u helpen?

1

  Trouwe Heiland, die mij liefhebt

  En elk kindje mint als mij,

  Leer mij toch voor U te leven,

  Doen het werk, dat Gij wilt geven.

  ‘k Ben wel klein, maar ‘k doe het blij,

  want Gij deedt zo veel voor mij.

2

  ‘k Weet, in verre, verre landen,

  aan het eind der grote zee,

  wonen kind’ren, die nooit hoorden

  Jezus’ vriendelijke woorden.

  Toch een plaatsje in Zijn hart

  Heeft elk kind, blank, bruin of zwart

3

  Kon ik ’t hun maar laten weten

  Daar aan ’t eind der grote zee.

  Kon ‘k de blijde boodschap zenden

  Naar de verste wereldenden;

  Mag ik helpen? ‘k Doe het blij,

  Want Gij deedt zo veel voor mij!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 143: 1 Wij brengen onze gaven

1

  Wij brengen onze gaven,

  Neem Gij, o Heer, die aan,

  En zegen ook de kind’ren

  Zo heel ver hier vandaan.

   Heer, dat Uw licht toch weldra scheen,

  Ver over heel de wereld heen!

  AMEN

 

Terug naar boven

 

 

LIED 144: 1 Zendingslied

1

  Zegen, Heer! De vredeboden,

  Ver van vriend en vaderland,

  Die de blinde heid’nen noden

  Ook het allerverste strand,

  Tot de Heiland zicht te keren,

  Die aan ’t kruishout voor hen stierf.

  Geef hun, trouwe Heer der heren!

  ’t Hiel, dat hun Uw dood verwierf.

  Geef hun trouwe Heer der heren!

  ’t Heil, dat hun Uw dood verwierf.

 

Terug naar boven

 

 

GEBEDEN

LIED 145: 1-3 Ach, blijf met uw genade

1

  Ach, blijf met Uw genade

  Heer Jezus, ons nabij,

  Opdat ons nimmer schade

  Des vijands heerschappij.

2

  Ach, blijf Gij met Uw zegen

  Nabij ons, rijke Heer.

  En zend op onze wegen

  Uw kracht en goedheid neer.

3

  Ach, licht ons met Uw stralen

  Gij Licht der wereld, voor,

  Opdat wij nimmer dwalen

  Of struik’len op ons spoor.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 146: 1-5 Blijf bij mij Heer

1

  Blijf bij mij Heer, want d’ avond is nabij.

  De dag verduistert, Heere, blij bij mij!

  Als and’re hulp m’ ontbreekt, geluk m’ ontvlied,

  Blijf bij mij, Heer, in nacht en zonneschijn!

2

  Weldra verloopt des levens kort getij,

  Vreugde verdoft, de glorie gaat voorbij.

  Alles verzinkt, waar ik mij henenkeer:

  Gij houdt Uw trouwe, o blijf bij mij, Heer!

3

  ‘k Heb U altijd van node, dag en nacht,

  slechts Uw gena verwint des bozen macht.

  Wie kan als Gij mijn gids en sterkte zijn?

  Blijf bij mij, Heer, in nacht en zonneschijn!

4

  Geen vijand vrees ik, als Gij bij mij zijt,

  Tranen en leed zijn zonder bitterheid.

  Waar is, o dood, uw schrik, graf, waar uw eer?

  Meer dan verwinnaar blijf ik in de Heer.

5

  Houd hoog Uw kruis voor mijn verdonk’rend oog,

  Licht in de schemer, leid mij naar omhoog!

  De morgen daagt, de schaduw gaat voorbij:

  In dood en leven, Heer, blijf mij nabij.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 147: 1-3 Avondlied

1

  Blijf bij ons, Heer, de gouden zon gaat dalen

  En zich ter rust begeven.

  Flauw zendt zij nog haar laatste lichte stralen

  In slaap gewiegd is ’t leven,

  Gij dagen en nachten, lof zingt de Heer!

  Gij lichtende sterren, lof zingt de Heer!

  Looft met gezangen de Heer,

  Schalt met bazuinen Zijn eer!

2

  Blij bij ons Heer, ’t is duisternis in ’t ronde

  een dauwfloers dekt de aarde.

  Wat werd ons Vader, in deez’ duist’re stonden,

  Zo Gij ons niet bewaarde,

  Gij dauwvochte luchten, lof zingt de Heer!

  Gij vluchtige wolken, lof zingt de Heer!

  Engelen zingt uwe Heer,

  Schalt met bazuinen Zijn eer!

3

  Blijf bij ons Heer, dan mag het duister komen,

  Te aardse licht verdwijnen.

  Door gouden poort zien wij Uw lichtglans stromen,

  Ons donker pad beschijnen.

  Gij Godes getrouwen, lof zingt de Heer!

  Alles wat leeft en wat, lieft,

  Love en prijze de Heer!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 148: 1-4 Bron van ons leven

1

  Bron van ons leven,

  Nooit moe van geven,

  Door Wien wij leven dag na dag,

  Vader daar Boven,

  Hoor ons U loven,

  Dankbaar U prijzen vol ontzag!

2

  O, leer ons klanken,

  Om U te danken

  Voor ’t allerbeste, Uw lieve Zoon,

  Die door Zijn lijden,

  Ons kwam bevrijden

  Van schuld en zonde-en  zondeloon.

3

  Gun ons de zegen,

  Dat onze wegen,

  Stap na stap voeren tot U ons heen,

  Zwijg! Zin en lusten!

  Ons hart wil rusten,

  In Uw genaad’ en liefd’ alleen.

4

  Brengt G’ons in lijden,

  Stormt het bij tijden,

  Heel Uw bedoelen is liefd’ alleen.

  Waar wij ook zwerven,

  Wat we ooit derven,

  Door alles voert G’ ons huiswaarts heen.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 149: 1-5 Dag aan dag viel manna neer

1

  Dag aan dag viel manna neer.

  O, hoe goed is onze Heer!

  Hij voorziet in alle nood.

  Geef ons, Heer, ons daag’lijks brood.

2

  Dag aan dag heeft God beloofd

  Nieuwe kracht voor die gelooft.

  Zijt dan niet bezorgd, maar leeft

  Van het manna, dat God geeft.

3

  Leer me-U meer vertrouwen, Heer;

  Sterk mij in ’t geloof steeds meer;

  Laat mij Heiland, kalm en stil

  Steeds berusten in Uw wil.

4

  Zend verkwikking in mijn ziel,

  Als voorheen het manna viel;

  Voed mij met het hemels brood

  En vervul mijn zielenood.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 150: 1-4 De dag door Uwe gunste ontvangen

1

  De dag, door Uwe gunst ontvangen,

  Is weer voorbij, de nacht genaakt;

  En dankbaar klinken onze zangen,

  Tot U, die ’t licht en ’t duister maakt.

2

  Die dan, als onze beden zwijgen,

  Als hier het daglicht onderduikt,

  Weer nieuwe zangen op doet stijgen,

  Ginds waar de nieuwe dag ontluikt

3

  Zodat de dank, U toegezonden,

  Op aard nooit onderbroken wordt,

  Maar steeds opnieuw door mensenmonden

  Gezongen en gesproken wordt.

4

  Voorwaar, deez’ aarde zal getuigen

  Van U, die thans en eeuwig zijt,

  Tot al Uw schepselen zich buigen

  Voor Uwe liefd’ en majesteit.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 151: 1-4 Erekoning, in Uw woning

1

  Erekoning, in uw woning,

  Buig ik mij ootmoedig neer.

  ‘k Breng niets mede dan de bede

  die ik opzend keer op keer:

  Laat U vinden, laat U vinden

  Door het kind des stofs, o Heer!

2

  Heer, verhoor mij! Niets bekoor’ mij

  Dan Uw liefdemacht alleen.

  Daarop bouwde-ik en vertrouwde-ik

  Ook als alles duister scheen.

  Laat U vinden, laat U vinden,

  Trek mijn harte naar U heen.

3

  In mijn noden, kom ’t gevloden,

  Heer, tot U met al mijn smart.

  Met Uw handen scheur de banden

  Van de angst, die mij benart.

  Laat U vinden, laat U vinden,

  Want naar U verlangt mijn hart.

4

  d’ IJdelheden hier beneden,

   daar de wereld zicht mee vleit,

  zijn maar smarte, daar mijn harte

  haakt alleen naar d’ eeuwigheid.

  Laat u  vinden, laat U vinden,

  Zoon van God, ik ben bereid.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 152: 1-5 Avondgebed

1

  ‘k Ga te ruste, ik ben moe

  ‘k sluit mijn beide oogjes toe.

  Heere! Houd ook deze nacht

  Weder over mij de wacht!

2

  ’t Boze, dat ik heb gedaan,

  zie het Heere toch niet aan!

  Schoon mijn zonden vele zijn,

  Maak om Jezus’ wil mij rein.

3

  Sta mijn ouders trouw ter zij,

  Wees mijn vrienden ook nabij.

  Geef ons allen nieuwe kracht,

  Door de rust van deze nacht.

4

  Zorg voor de arme kind’ren, Heer!

  En herstel de zieken weer.

  En voor alle mensen saam,

  Bid ik U in Jezus’ naam.

5

  Doe mij dankbaar en gezond

  Opstaan in de morgenstond.

  Als ‘k mijn ogen open doe,

  Lach’ Uw zon mij vriend’lijk toe!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 153: 1-4 Gij biedt, Heer Jezus, rust

1

  Gij biedt, Heer Jezus, rust mij aan,

  Gij maakt van zonden vrij!

  Gij zegt gebond’nen vrijheid aan.

  Dat deed Gij ook aan mij.

2

  Mijn zondenlast, zo bang, zo zwaar,

  Bracht mij in duist’re nacht.

  De nood steeg hoog, maar Hij was daar,

  Die op ons roepen wacht.

3

  Het werd een worst’len in ’t gebed,

  Een pleiten op Zijn woord:

  “Och Heer, och wierd mijn ziel gered.”

  En Hij heeft mij verhoord.

4

  Ja, God is goed, dat Hij Zijn Zoon

  Voor mij op aarde zond;

  Nu juicht mijn ziel op blijde toon,

  Dat ‘k in Hem ruste vond.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 154: 1-3 Handjes gevouwen

1

  Handjes gevouwen,

  Sluit d’ oogjes nu.

  Zacht klink’ ons bidden,

  Heiland tot U.

2

  Lieve Heer Jezus,

  Hoor onze beê:

  Maak Gij ons vroom en goed.

  Geef ons Uw vreê.

3

  Lieve Heer Jezus,

  Zo bidden wij:

  Zegen ons allen,

  Wees ons nabij.

  AMEN

 

Terug naar boven

 

 

LIED 155: 1-3 ’t Heelal is vol van U, o Heer

1

  ’t heelal is vol van u, o Heer!

  Van Uwe macht en trouw

  Vertelt de boom, de bloem, de zee

  En ’t stralend hemelblauw.

2

  Voor al Uw kind’ren zijt Gij goed,

  Vol zorg en tederheid;

  Gij geeft ons steeds ons daag’lijks brood

  En helpt ons te-allen tijd.

3

  Heel dicht nabij mij zijt Gij steeds,

  Uw liefd’ omvat mij teer;

  Gij spreekt tot mij en zorgt voor mij

  Met grote trouw, o Heer.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 156: 1-2 Troost

1

  Heer als mijn leven droevig is,

  En ‘k ben in angst en pijn,

  Laat dan Uw vriend’lijk aangezicht

  Mijn troost en blijdschap zijn.

2

  Laat mij dan ook geloven, Heer,

  Dat Gij mij niet verlaat,

  Maar, dat Gij, wat mij overkomt,

  Steeds met mij mede gaat.

  AMEN.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 157: 1 Jezus stilt de storm

1

  Heer Jezus, hoor Uw kind’ren

  Bij ’t stormen om ons heen;

  Zo klein en zwak is ’t scheepje

  O, laat ons nooit alleen!

  Want richt Gij-U tot wind en zee,

  En spreekt Gij: “Zwijg, wees stil.’

  Dan Zwijgen wind en golven,

  Gehoorzaam aan Uw wil.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 158: 1-3 Gebed van een kind

1

  Heer, van ’t wondervol heelal,

  ‘k loof uw liefde boven al!

  Gij beschermt mij overal;

  Hoor mij, lieve Vader!

2

  Blijf Gij Heer, mij steeds nabij,

  Als ik slaap of waar ik zij.

  Leid, behoed en help Gij mij;

  Hoor mij, lieve Vader!

3

  Help mij om Uw kind te zijn,

  Maak mijn hartje goed en rein,

  ‘k Zal U dan gehoorzaam zijn.

  Hoor mij, lieve Vader!

  AMEN

 

Terug naar boven

 

 

LIED 159: 1-3 Heer, wees mijn Gids

1

  Heer, wees mijn Gids op heel mijn levenspad,

  Wees Gij mijn Gids

  Wijs mij de weg naar Sions gouden stad,

  Wees Gij mijn Gids

  Blijf dicht mij bij, ga stap voor stap mij voor,

  Dan ben ‘k gerust en veilig volg ‘k Uw spoor.

2

  ‘k Was vroeger blind en dwaalde van het pad,

  want ‘k had geen Gids

  Verdwaalde ik af, totdat ik ernstig bad:

  “Wees Gij mijn Gids.”

  Hij heeft ’t verhoord, ‘k ben nu verheugd en blij,

  Want Jezus kwam en nu is ’t Licht voor mij.

3

  Nu aan Zijn hand, dwaal ‘k nimmer van de weg,

  Hij is mijn Gids

  ’t Zij door moeras of wel langs struik en heg,

  leidt mij mijn Gids

  Licht, vriend’lijk licht stroomt van Zijn aangezicht,

  ‘k houd daarom steeds mijn oog op Hem gericht.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 160: 1 Heiland, aan ons jonge leven

1

  Heiland, aan ons jonge leven

  Wilt Gij vorm en inhoud geven,

  Als wij voor U open staan.

  Zoveel lokkend schoon der aarde

  Heeft voor d’ eeuwigheid geen waarde.

  Leer ons, Heer, Uw wegen gaan

  Leer ons, Heer, Uw wegen gaan.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 161: 1-3 Heiland, hoor naar mijn gebeden

1

  Heiland, hoor naar mijn gebeden,

  Gij Heer, hebt voor mij geleden,

  Gij, mijn Licht in donk’re nacht:

  Gij hebt voor mij volbracht.

2

  Heiland, Gij mijn eeuwig leven,

  Heel mijn hart word’ U gegeven,

  Rots in nood en trouwe Wacht:

  Gij hebt voor mij volbracht.

3

  Laat Uw geest, Heer, mij doordringen,

  Zo kan ik Uw lof bezingen,

  Dus gelouterd door Uw kracht:

  Gij hebt voor mij volbracht.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 162: 1-3 Het gebed

1

  Het bidden is een ziele zuchten,

  Opklimmend uit het hart,

  Dat naar een sterker hart komt vluchten,

  En uitsnikt allle smart.

2

  O Heer, die trouw in ’t eeuwig leven,

  Bij God voor zondaars pleit.

  De ziel, die zich aan U wil geven,

  Voelt zich van zorg bevrijd.

3

  Kom harte dan tot hem gevloden,

  Zeg alles aan uw Heer.

  Hoor, hoor Hem ieder hier toe noden,

  Zo kniel’ dan elk terneêr!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 163: 1 Hemelvader, zie, ik nader

1

  Hemelvader, zie, ik nader,

  ‘k val eerbiedig u te voet,

  Maak mij stille naar Uw wille;

  Leer mij hoe ik leven moet.

  Komt mij tegen op mijn wegen,

  Vader, zo Gij ’t doet, is ’t  goed.

  Vol erbarmen zijn uw armen

  Voor Uw kind’ren uitgebreid.

  In mijn duister straalt de luister

  Van Uw macht en majesteit.

  Heer, almachtig, sterk en krachtig.

  U zij lof in eeuwigheid.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 164: 1-3 Jezus de Middelaar

1

  Hogepriester van uw volk,

  Kom voor zondaars tussentreden,

  Wees voor God nu onze tolk,

  Met Uw heil’ge smeekgebeden.

  Doe verzoening voor de schulden,

  Die het arme zondaarshart

  Met berouw en angst vervulden,

  Deel in onze zielensmart.

2

  Hogepriester Gods! Gedenk,

  In Uw voorspraak aan verloor’nen,

  Draag de last Uws volks en schenk

  Vrede-in ’t hart van Uw verkoor’nen;

  Wees Gij ’t offer voor de zonden,

  Reinig ons onrein gemoed,

  Breng genezing door Uw wonden,

  Ons besprengend met Uw bloed.

3

  Onze dank, o Middelaar,

  Is vol zwakheid en gebreken;

  Wil Gij zelf dan op ’t altaar

  Wierook tot Gods eer ontsteken.

  Offerlam en Priester tevens,

  Rijk gezalfde met Gods Geest,

  Deel ons van de schat des levens

  Gaven uit op dit Uw feest.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 165: 1-3 Houdt Gij mijn handen beide

1

  Houdt Gij mijn handen beide

  Met kracht omvat.

  Geef mij Uw vast geleide

  Op ’t smalle pad.

  Alleen kan ik niet verder

  Geen enk’le schreê.

  Neem, trouwe Zielenherder,

  Mij arme, mee.

2

  Op d’ ongewisse baren

  Van d’ oceaan,

  In stromen en gevaren,

  Grijp, Heer, mij aan.

  Ik zie Uw aanschijn blinken

  In duist’re nacht.

  Behoedt mij dan voor zinken

  Door Uwe macht.

3

  Heb deernis, heb ontferming,

  Heb medelij.

  Verleen mij Uw bescherming

  Sta aan mijn zij.

  Al, waar ik op wou steunen,

  Bezweek en viel;

  Ai, laat mij op U leunen

  Met heel mijn ziel.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 166: 1-7 Ik hoor zo graag…

1

  Ik hoor zo graag, al ben ik jong,

  Hoe mij de Heiland mint;

  Hoe Jezus ook deez’ aard betrad;

  Daar eenmaal was een kind.

2

  Hij hield Zijn Vaders woord en wet,

  Het goeddoen nimmer moe;

  Naarmate Hij in jaren klom,

  nam Hij in wijsheid toe.

3

  Ik hoor zo graag, dat Hij, Wiens woord

  Hier ied’re kwaal genas,

  Die doden opwekte uit ’t graf,

  Eens ook een jongen was.

4

  Dat hik, die voor der mensen schuld

  Aan ’t kruishout heeft geboet,

  Eens door een trouwe moederhand

  Verzorgd werd en behoed.

5

  Omdat Hij mij heeft liefgehad,

  Verliet Hij ’s hemels troon,

  Kwam als een mens op aarde neer,

  En leed hier smaad en hoon.

6

  O, Gij die eens een jongen waart,

  Die jongensstrijd doorstreedt,

  Die ook wel jongens helpen wilt,

  Voor jongens-zonden leedt.

7

  kom in mijn jonge leven, Heer,

  en reinig mijn gemoed;

  Wees Gij mijn Gids, mijn Held, mijn Al,

  En was mij door Uw bloed!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 167: 1-3 In de Hemel is het schoon

1

  In de hemel is het schoon,

  Waar men zingt op blijde toon

  Met een altoos vrolijk harte,

  Vrij van alles pijn en smarte;

  Waar men juicht voor ’s Heeren troon.

  In de Hemel is het schoon.

2

  Lieve Jezus, Gij alleen

  Brengt ons naar de Hemel heen!

  Want vergiffenis van zonden,

  Wordt slechts in Uw bloed gevonden.

  Ware vreugd en zaligheên.

  Schenkt Gij, Heer! En Gij alleen.

3

  Lieve Jezus, zie ons aan:

  Doe ons naar de Hemel gaan;

  Leer ons naar Uw stem te horen,

  Anders gaan wij wis verloren.

  Leid ons op de rechte baan,

  Dat wij naar de Hemel gaan.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 168: 1-4 Mijn toevlucht

1

  Jezus, Die mijn ziel bemint!

  ’s Levens stormen loeien Heer!

  O, beveilig mij, Uw kind,

  Leg mij aan Uw boezem neer!

  Als de golven woedend slaan

  Tegen rotsen op en neer;

  Laat mij aan Uw zij dan staan,

  Tot de storm voorbij is Heer!

2

  And’re toevlucht ken ik geen,

  Hulp’loos kom ik tot U vliên,

  Laat, o laat mij niet alleen,

  Wil mij steeds Uw hulpe biên!

  Als de zondelast mij drukt,

  Zend dan Uw verlossing neer;

  Ben ik zwak en eergebukt,

  Schenk mij dan Uw kracht, o Heer!

3

  Gij o, Heiland! Zijt mijn kracht,

  Gij mijn hoog vertrek, o Heer!

  Gij sterkt zwakken door Uw macht,

  Gij geeft blinden d’ ogen weêr.

  Heilig, driemaal heilig Gij!

  Zie ontfermend op mij neer;

  Niets dan zwakheid vindt G’ in mij;

  Schenkt mij Uw genade, Heer!

4

  Volheid van genade Heer!

  Woont steeds in Uw priesterhart.

  In mijn ziel neem weg mijn smart!

  Gij zijt ’s levens Heilfontein,

  Gij geeft zondaars zaligheid;

  Was mij, Heer! En houdt mij rein,

  Nu en tot in eeuwigheid.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 169: 1-2 Jezus, ga ons voor

1

  Jezus, ga ons voor

  Op het levensspoor;

  Wij als Uw getrouwe leden

  Volgen U op al Uw schreden.

  Voer ons aan Uw hand

  Tot in ’t Vaderland.

2

  Moet onz’ eigen baan

  Door veel diepten gaan,

  Zijn w’om and’rer lot bewogen,

  Och, stel Gij ons dan voor ogen,

  ’t einde, dat ons beidt,

  waar G’ ons henen leidt.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 170: 1-3 Jezus, Goede Herder, hoor mij!

1

  Jezus, Goede Herder, hoor mij!

  Berg Uw schaapke deze nacht;

  Blijf in duisternis dicht bij mij:

  Geef mij rust, houdt Gij de wacht.

2

  Heel de dag, woudt Gij mij leiden,

  Heeft Uw hand behoed, gered,

  Woudt Gij mij Uw zorg bereiden;

  Vader! Hoor mijn nachtgebed.

3

  Heer! Vergeef wat ‘k heb misdreven;

  Wees ons allen trouw nabij,

  Wil mij ’t hemels leven geven,

  Waar ik eeuwig bij U zij.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 171: 1-3 Jezus, ‘k wil U need’rig volgen

1

  Jezus, ‘k wil U need’rig volgen,

  Waar Uw hand mij henen leidt.

  ‘k Weet toch, Uwe hand is liefde

  en Uw weg is zaligheid.

2

  Moet ik door woestijnen dolen,

  Met U gaat het alles goed,

  ‘k Vind zelfs in de dorste streken,

  bij mijn Jezus overvloed.

3

  ‘k Ben een vreemd’ling, lieve Heiland;

  maar zie daar mijn hart en hand;

  leidt mij naar Uw welbehagen

  in een beter Vaderland.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 172: 1-2 Kinderbede

1

  Kom, Heer Jezus, in ons midden,

  Wil ons horen, als wij bidden;

  Heer, al ben ik jong en klein,

  Wil mijn Goede Herder zijn.

2

  ’t Schaapje, dat alleen gaat dwalen,

  wil de Herder weder halen,

  vol van liefde zacht en teer,

  voert Hij ’t naar de kudde weer.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 173: 1-2 Koning vol Majesteit

1

  Koning vol Majesteit

  Lichtglans en heerlijkheid,

  Wees ons ten schild.

  Leer in Uw licht ons staan,

  Leer ons Uw wegen gaan.

  Achter Uw vaandel aan volgen altijd.

2

  Hoor, Heiland, onze beê,

  Deel ons Uw sterkte meê,

  Uw vrede-en rust.

  Maak van ons zelf ons vrij,

  Maak Gij ons rein en blij,

  Jezus, zo volgen wij U naar Uw troon.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 174: 1-2 Avondlied

1

  Laat mij slapend op u wachten,

  Heer, dan slaap ik zo gerust.

  Geef mij heilige gedachten,

  En wees in de droom mijn lust.

  ’t Lichaam slaap’, maar ’t harte waakt,

  daar het zich in U vermaakt,

  mag ik dicht bij Jezus wezen,

  o dan slaap ik zonder vrezen.

2

  ‘k Heb, Heer Jezus, U van node,

  ’t zij ik slaap of waken mag;

  om mijn kwaad geheel te doden

  blijf ik bij U nacht en dag.

  ‘k Maak, o lieve Heiland, staat

  op Uw trouw, die nooit vergaat,

  o die zal mij nooit begeven,

  zo min hier, als na dit leven.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 175: 1-2 Leer ons bidden, lieve Heer!

1

  Leer ons bidden, lieve Heer!

  Leer ons vragen, keer op keer,

  Leer ons prijzen Uwe naam,

  Naam zo wondergroot.

2

  Gij zo groot en wij zo klein,

  Toch wilt G’ onze Vader zijn,

  Vader die het bidden hoort

  Zelfs van ’t kleinste kind.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 176: 1-7 Leid, Goede Herder, leid ons

1

  Leid, goede Herder, leid ons,

  Uw kudde zwak en klein,

  Door donk’re doodse dalen,

  Langs afgrond en ravijn.

2

  Geleid ons in Uw voetspoor

  Naar ’t zalig hemeloord,

  O Gids van alle eeuwen,

  Onsterflijk Levenswoord!

3

  Dit leven is gezegend,

  Waarin men volgt zijn God,

  En gaat langs rechte wegen

  Naar heilig wijs gebod.

4

  Uw grote Geest der waarheid

  Uw kleinen leven doet,

  En onder Zijn geleide

  Gaat veilig onze voet.

5

  Dan houden aardse pelgrims

  De blik omhoog gericht,

  En – ziende op het einde –

  Wordt de verdrukking licht.

6

  Wij zien de paarlen poorten

  Der gouden hemelstad;

  Daar vinden wij Hem weder,

  Die ons heeft liefgehad.

7

  Daar zijn wij, met de zaal’gen,

  Voor eeuwig bij de Heer,

  En zingen onze Koning

  Zijn grote naam ter eer!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 177: 1-4 Neig tot ons Uw gunstig’ oren

1

  Neig tot ons Uw gunstig’ oren,

  Vader! Laat Uw vriend’lijk oog

  Ons bestralen van omhoog;

  Wil ons biddend danken horen.

2

  Heer! Gij schenkt ons vol erbarmen

  Wat Gij weet dat ons ontbreekt:

  Licht, vertroosting, heil en vrede,

  Alles wat Uw almacht spreekt.

3

  Daarom zij u dank en ere,

  Lof en prijs en heerlijkheid,

  Met de hulde der aanbidding,

  Nu en tot in eeuwigheid.

4

  Neig tot ons Uw gunstig’ oren,

  Vader! Laat Uw vriend’lijk oog

  Ons bestralen van omhoog;

  Wil ons biddend danken horen.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 178: 1-6 O God, Die droeg ons voorgeslacht

1

  O God, die droeg onsvoorgeslacht

  In nacht en storm gebruis,

  Bewijs ook ons Uw trouw en macht,

  Wees eeuwig ons tehuis!

2

  Gevlucht naar Uwe vaste troon,

  Vindt ieder schuil en schut,

  War eeuwig hij beveiligd woon’;

  Verstoken in Uw hut.

3

  Gij zijt, van vóór Gij zee en aard

  hebt door Uw woord bereid,

  altijd dezelfde die Gij waart,

  de God der eeuwigheid!

4

  En duizend jaar gaan als de dag

  Van gist’ren voor U heen,

  Een schaduw, een gedachte vaag,

  En nachtwaak, die verdween.

5

  De tijd draagt alle mensen voort

  Op zijn gestagen stroom;

  Ze zijn als gras, door zon verdord,

  Vervluchtigd als een droom.

6

  O God, die droeg ons voorgeslacht

  In tegen spoed en kruis,

  Wees ons een gids in storm en nacht

  Een eeuwig ons tehuis!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 179: 1-4 Nader, mijn God, bij U

1

  Nader, mijn God, bij U,

  Nader bij U!

  Ook als een kruis mij heft

  Nader tot U,

  Zal nog mijn loflied zijn;

  Gij voert door angst en pijn

  Nader, mijn God, tot U

  Nader tot U.

2

  Als op mijn levensweg

  Duisternis daalt,

  Als mij geen zonlucht meer

  Lief’lijk omstraalt,

  Redt Gij mij uit de nacht

  En brengt mij door Uw kracht

  Nader, mijn God, tot U

  Nader tot U.

3

  Gaat ook het smalle pad

  Moeilijk en steil,

  ’t voert toch ten hemel op,

  ’t leid mij tot heil.

  Mij staat Uw wacht terzij:

  Engelen wenken mij

  Nader, mijn God, tot U

  Nader tot U.

4

  Vindt soms mijn moede hoofd,

  ’s nachts op een steen,

  geen rust in donkerheid

  dan, om mij heen,

  dragen in droomgezicht,

  stralend van hemels licht,

  engelen mij tot U,

  nader tot U.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 180: 1-2 Kinderbede

1

  O, Heer, die in de hemel woont,

  En die ons kind’ren ziet,

  Zie Gij in gunst op ons ter neer,

  En hoor ons staam’lend lied.

  O, zend ons Uwe zegen, Heer,

  Schenk ons Uw goede Geest,

  En wees voor ons, wat Gij op aard

  Voor kind’ren zijt geweest.

2

  Want toen Gij nog op aarde waart,

  Zaagt Gij de kind’ren aan,

  En spraakt: ‘Verhindert deze niet,

  Maar laat ze tot Mij gaan.’

  O, leer ons ook in waarheid, Heer!

  Zo vroeg tot U te treên;

  Schenk ons daartoe Uw goede Geest,

  Die leidt ons tot U heen.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 181: 1-2 O Heer, Gij zijt weldadig

1

  O Heer, Gij zijt weldadig,

  Straf mij niet ongenadig

  In Uwe toornegloed.

  Ai, matig Uw kastijden,

  Sla mij met medelijden,

  Gelijk een vader doet.

2

  De Heer wild’ op mijn kermen

  Zich over mij ontfermen;

  Hij heeft mijn stem verhoord.

  De Heer zal op mijn smeken

  Geen hulp mij doen ontbreken;

  Hij houdt getrouw Zijn woord.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 182: 1-2 op U, mijn Heiland, blijf ik hopen

1

  Op U, mijn Heiland, blijf ik hopen,

  Verlos mij van mijn bange pijn!

  Zie heel mijn hart staat voor U open

  En wil, o Heer, uw tempel zijn.

  O Gij, wie aard’ en hemel zingen,

  Verkwik mij met Uw heil’ge gloed.

  Kom met Uw zachte glans doordringen,

  O Zon van liefde, mijn gemoed!

2

  Vervul, o Heiland, het verlangen,

  Waarmee mijn hart Uw komst verbeidt!

  Ik wil in ootmoed U ontvangen

  Mijn ziel en zinnen zijn bereid.

  Ik blijf op U in liefde staren,

  Waar om mij heen de wereld woedt.

  O, mocht ik Uwe troost ervaren:

  Doe intocht, Heer, in mijn gemoed!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 183: 1 Aanvangsbede

1

  O Vader, wees Gij ons nabij!

  Met dank en blijdschap komen wij

  Tezamen tot Uw eer!

  Bij ’t luist’ren word’ Uw stem verstaan.

  Hoor Gij ons vrolijk loflied aan,

  En leer ons bidden, Heer!

  AMEN

 

Terug naar boven

 

 

LIED 184: 1 Kindergebed

1

  ‘k Sluit mijn oogjes, vouw mijn handjes,

  buig mijn knietjes voor U neer,

  trouwe Vader in de Hoge,

  zie op mij in liefde neer!

  Leer mij vroeg uw kind te worden;

  Neem mij aan, schoon jong en klein;

  Laat mij van Uw grote kudde

  Ook een heel klein schaapje zijn!

  AMEN

 

Terug naar boven

 

 

LIED 185: 1-4 Zie op Uw kind’ren neer

1

  Zie op Uw kind’ren neer

  Vanuit Uw hoge woning,

  Wij vragen U eerbiedig om Uw zegen, Heer

  Want wij zijn zwak en teer.

  O, grote Hemelkoning schenk,

  Door Uw grote liefde

  Ons Uw bijstand, Heer

2

  Verwerp Uw kind’ren niet,

  Wanneer wij tot U spreken;

  Houd wijd voor ons Uw liefde armen uitgebreid.

  Verwerp Uw kind’ren niet,

  Om zonden en gebreken,

  En wil ons eenmaal nemen

  In Uw heerlijkheid.

 

Terug naar boven

 

 

ALGEMEEN CHRISTELIJKE LIEDEREN

LIED 186: 1-2 Zondagslied

1

  Als de dag met gouden glans,

  Zondags aanlicht aan de trans,

  Geen gedruis de stilte breekt,

  Alles ons van ruste spreekt,

  Trekt, om naar Gods huis te gaan,

  Oud en jong het feestkleed aan;

  Zingend aan de voet van ’t kruis

  Reeds ’t lied van ’t Vaderhuis.

  Psalm en lied, Psalm en lied,

  Psalm en lied prijst Gods genà,

  In ’t blij Halleluja!

2

  Rijz’ met eerbied ook ons lied

  tot de Heer, Die op ons ziet

  God, Die ons heeft welgedaan,

  Neemt ons kinderdanklied aan.

  Spreekt tot ons ook in Zijn woord;

  ‘t Hert wanneer ’t naar Jezus hoort,

  Leert, hoe jong, bij Jezus’ kruis,

  Reeds ’t lied van ’t Vaderhuis.

  Psalm en lied, Psalm en lied,

  Psalm en lied prijst Gods genà,

  In ’t blij Halleluja!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 187: 1-2 Als g’ in nood gezeten

1

  Als g’in nood gezeten,

  Geen uitkomst ziet,

  Wil dan nooit vergeten;

  God verlaat u niet!

  Vrees toch geen nood

  ’s Heeren trouw is groot

  en op ’t nachtlijk duister

  volgt het morgen rood.

  Schoon stormen woeden,

  Ducht toch geen kwaad,

  God zal u behoeden,

  uw Toeverlaat.

2

  God blijft voor u zorgen,

  Goed is de Heer.

  En met elke morgen

  Keert Zijn goedheid weer.

  Schoon g’ in’t verdriet

  Nergens uitkomst ziet

  Groter dan de Helper

  Is de nood toch niet!

  Wat ons ontviele,

  Redder in nood!

  Red slechts onze ziele

  Uit zonde-en dood.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 188: 1-3 Beveel gerust uw wegen

1

  Beveel gerust uw wegen,

  Al wat u ’t harte deert,

  Der trouwe hoed’ en zegen

  Van hem, die ’t al regeert.

  Die wolken, lucht en winden

  Wijst spoor en loop en baan,

  Zal ook wel wegen vinden,

  Waar langs uw voet kan gaan.

2

  De Heer moet gij vertrouwen,

  Begeert gij d’ uitkomst goed,

  Op Hem uw hope bouwen

  Zal ’t slagen wat gij doet.

  Door geen bekommeringen,

  Geen klagen en geen pijn

  Lat God zich iets ontwringen;

  Hij wil gebeden zijn.

3

  Uw trouw en Uw genade,

  O Vader, weet zo goed,

  Wat onze ziel tot schade

  Of winste worden moet!

  En hebt G’ iets uitgelezen,

  Dat werkt G’, o sterke Held,

  En brengt in stand en wezen,

  Wat G’ U hebt voorgesteld.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 189: 1-3 Boven de starren

1

  Boven de starren daar zal het eens lichten,

  Daar wordt uw hopend verlangen voldaan;

  Daar zal het lijden des harten eens zwichten,

  Daar zal de vreugde voor eeuwig bestaan.

  Daar zal de vreugde voor eeuwig bestaan.

2

  Boven de starren verdwijnt eens het duister,

  Daar ziet gij alles ontraadseld, onthuld;

  Wat gij verwacht van Gods eeuwige luister

  Wordt daar eens heerlijk en blijvend vervuld.

  Wordt daar eens heerlijk en blijvend vervuld.

3

  Boven de starren daar waaien de palmen

  Hemelse geuren de lijdenden aan;

  Eng’len begroeten met juichen de psalmen,

  Doodmoede pelgrims aan ’t einde der baan.

  Doodmoede pelgrims aan ’t einde der baan.

  AMEN

 

Terug naar boven

 

 

LIED 190: 1-3 Daar boven juicht

1

  Daar boven juicht een grote schaar,

  Van kind’ren voor Gods troon,

  Verlost van zond’ en van gevaar,

  Tot eer van ’s Vaders Zoon.

KOOR

    Nu klinkt hun lied:

    “De Heer zij prijs,

    die aan het kruishout stierf,

    en in het hemels Paradijs

    een plaats voor ons verwierf”.

2

  Hoe kwamen z’ in dat heerlijk oord?

  Zij hoorden Jezus’ stem,

  Geloofden in Zijn dierbaar Woord

  En gaven ’t hart aan Hem 

KOOR

    Nu klinkt hun lied:

    “De Heer zij prijs,

    die aan het kruishout stierf,

    en in het hemels Paradijs

    een plaats voor ons verwierf”.

3

  Wij wensen ook daarheen te gaan,

  Naar ’t oord van vreugd en vree,

  Och, lieve Heiland, neem ons aan,

  Dan zingen w’ ook eens mee.

KOOR

   Dan klinkt ons lied:

    “De Heer zij prijs,

    die aan het kruishout stierf,

    en in het hemels Paradijs

    een plaats voor ons verwierf”.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 191: 1-3 Dat ik Jezus toebehoor

1

  Dat Ik Jezus toebehoor,

  Dankbaar is mijn hart ervoor;

 ’t is mijn ziel tot vreugd’ en elven.

  Mij heeft Hij Zijn naam gegeven.

  Mij Zijn heilig bloed ten pand

  Van mijn komst in ’t Vaderland.

2

  Door Zijn herdersstaf geleid,

  Ga ik voort tot heerlijkheid,

  Hoop ik op der heem’len vreugde;

  Wat op aarde ’t meest verheugde,

  Is bij ’t heil, mij nu bekend,

  Niets dan moeite en ellend’.

3

  Ja, mijn blijdschap is ’t en roem,

  Dat ik Hem mijn Herder noem,

  Één der Zijnen mij mag weten.

  Kon U, Heer, mijn hart vergeten,

  Sterker dan mijn hart zijt Gij,

  Gij, die woont en heerst in mij.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 192: 1-4 God zorgt voor ons

1

  De Heer, die in de hemel woont,

  En in elk need’rig hartje troont,

  Is mij nabij bij dag en nacht,

  Houdt over mij getrouw de wacht.

  Is mij nabij bij dag en nacht,

  Houdt over mij getrouwe de wacht.

2

  Hij voedt de musjes op het dak,

  De vogeltjes op twijg en tak,

  Hij siert het veld met bloem en plant,

  Uit Zijne milde Vaderhand.

  Hij siert het veld met bloem en plant,

  Uit Zijne milde Vaderhand.

3

  Een haar valt van mijn hoofdje niet,

  Of ’t is naar Zijne wil geschiedt;

  Hij kent mijn zitten en mijn staan,

  Mijn nederliggen en mijn gaan.

  Hij kent mijn zitten en mijn staan,

  Mijn nederliggen en mijn gaan.

4

  O Heer! Die mij zo trouw behoedt,

  Geef mij een hartje zacht en goed,

  Maak, als de engeltjes, mij vroom,

  Opdat ik in de hemel koom’!

  Maak, als de engeltjes, mij vroom,

  Opdat ik in de hemel koom’!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 193: 1-6 De Heer kent al de Zijnen

1

  De Heer kent al de Zijnen

  En heeft hen steeds gekend;

  Hij doet Zijn licht hun schijnen,

  En redt z’ uit all’ ellend’

  ’t Zij klein of groot zij erven

  Zijn zegen van rondom,

  In leven en in sterven

  Zijn zij Zijn eigendom,

  In leven en in sterven

  Zijn zij Zijn eigendom.

2

  Hij kent hen aan ’t Gelove,

  Dat op d’ onzichtb’re bouwt,

  En wat de wereld rove,

  Zijn schat in Hem behoudt;

  Dat uit Zijn Woord wil leven,

  En naar Zijn Woord getuigt,

  Zich met Zijn Woord durft weren

  En voor Zijn Woord zich buigt,

  Zich met Zijn Woord durft weren,

  En voor Zijn Woord zich buigt.

3

  Hij kent hen aan de Hope,

  D’ onwankelbare moed,

  Die, wat de wereld slope,

  Blijft zeet’len in ’t gemoed;

  Zich steeds in al de blijken

  der trouwe Gods verheugt,

  en ongestoord blijft prijken

  in ’t groen der eeuw’ge jeugd,

  en ongestoord blijft prijken

  in ’t groen der eeuw’ge jeugd.

4

  Hij kent hen aan de Liefde

  In Zijn gena gegrond,

  Die, hoe de wereld griefde,

  Hun bijblijft t’ allen stond.

  Die naar Zijn hemels voorbeeld

  Zich vormt van dag tot dag,

  En zich gelukkig oordeelt,

  Als ze and’ren zeeg’nen mag.

  En zich gelukkig oordeelt,

  Als ze and’ren zeeg’nen mag.

5

  Zo kent de Heer de Zijnen,

  En heeft hen steeds gekend,

  Zo doet Hij ’t licht hun schijnen,

  En redt ze uit alle-ellend.

  ’t Zij klein of groot, zij dragen

  dezelfde beeltenis,

  die, naar Gods welbehagen,

  der Zijnen kenmerk is.

  die, naar Gods welbehagen,

  der Zijnen kenmerk is.

6

  O Heer, of ’t U beliefde,

  Bij ’s werelds vreugd en smart,

  Te sterken in ons hart!

  Als we eens voor U verschijnen,

  Zeg dan tot ons ook meer:

  “Ik ken u als de Mijnen;

  gaat in tot d’ eeuw’ge vree!”

  “Ik ken u als de Mijnen;

  gaat in tot d’ eeuw’ge vree!”

 

Terug naar boven

 

 

LIED 194: 1-5 De herders ging een engel voor

1

  De herders ging een engel voor,

  De koning en een ster;

  Maar wie zal mij, een kindje klein

  Geleiden van zó ver

  Dáár, waar de eng’len samen zijn

  Ginds bij de morgenster?

2

  Een ster voor mij wil Jezus zijn:

  Zijn lichtglans gaat mij voor,

  En stap voor stap leidt Hij mij voort,

  Dat ik niet ga teloor

  Hij leidt mij uit ten licht naar ’t land,

  Waar ‘k eeuwig Hem bekoor.

3

  Voor mij wil Hij een herder zijn:

  Hij laat mij niet alleen,

  Hij draagt de lamm’ren in Zijn arm

  Langs steile afgrond heen,

  En haalt het afgedwaalde lam

  Door doornen huiswaarts heen

4

  De herders – eenzaam in de nacht –

  Stil waken in het veld;

  Op eenmaal zien z’ een lichte schaar

  Van eng’len ongeteld,

  Die – gloriezingend: vrede op aard! –

  De lof van God vermeldt.

5

  De Heer bewaakt Zijn kleine lam,

  Zorgt voor mij nacht en dag,

  Tot – als de eng’len, wit en licht –

  Ik bij Hem blijven mag,

  En – gloriezingend God ter eer –

  Hem dien in blij ontzag.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 195: 1-4 De trouwe Heiland is nabij

1

  De trouwe Heiland is nabij,

  De liefdevolle Jezus,

  Zijn woorden troosten u en mij,

  O, hoort de stem van Jezus.

  Eng’lenkoren prijzen Hem;

  Paren wij ook onze stem

  Zingen wij ter eer van Hem!

  Jezus, trouwe Jezus.

2

  Uw zonde droeg Hij aan het kruis,

  O, hoort de stem van Jezus;

  Een plaats bereid in ’s Vaders huis;

  Een troon bereid door Jezus.

  Eng’lenkoren prijzen Hem;

  Paren wij ook onze stem

  Zingen wij ter eer van Hem!

  Jezus, trouwe Jezus. 

3

  Gij kind’ren, beide groot en klein,

  Bemint de naam van Jezus’

  Ook u maakt Hij het harte rein;

  Dan leeft ook gij voor Jezus.

  Eng’lenkoren prijzen Hem;

  Paren wij ook onze stem

  Zingen wij ter eer van Hem!

  Jezus, trouwe Jezus.

4

  Hem zij de lof en heerlijkheid!

  Gelooft dan nu in Jezus;

  Uw hart zij tot Zijn dienst bereid;

  Verheerlijkt met mij Jezus!

  Eng’lenkoren prijzen Hem;

  Paren wij ook onze stem

  Zingen wij ter eer van Hem!

  Jezus, trouwe Jezus.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 196: 1-5 De zon met haar stralen

1

  De zon met haar stralen

  Zet bergen en dalen

  In goud en in gloed.

  De dag is begonnen,

  Het licht heeft ’t gewonnen;

  ’t geeft kracht en ’t geeft moed.

2

  Nu moeten wij loven

  De God van daarboven,

  Die ons deze nacht

  Heeft willen behoeden

  In ’t donker voor ’t woeden

  Der duistere macht.

3

  Komt, laat ons dan prijzen,

  De stemmen doen rijzen

  Tot dank aan de Heer,

  Hem smeken en bidden

  Dat ook in ons midden

  Mag wonen Zijn eer!

4

  Aan Hem zij gegeven

  Het bruisende leven:

  De dag God gewijd!

  Want, wat ons ook griefde,

  Wij worden in liefde

  Door Hem toch geleid.

5

  O God, hoor ons vragen

  De kracht, om te dragen

  ’t geschenk, dat Gij geeft.

  Wat Gij toebedeelde,

  Kan worden een weelde

  Voor wie uit U leeft.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 197: 1-3 ’s Heeren intocht

1

  Dochter Sions, wees verheugd!

  Juich van vreugd, Jeruzalem!

  Zie uw Koning komt tot u!

  Ja, Hij komt, de Vredevorst!

  Dochter Sions, wees verheugd!

  Juich van vreugd, Jeruzalem!

2

  Hosianna, Davids Zoon!

  Heil en zegen zij Zijn volk!

  Sticht nu Heer, Uw eeuwig rijk,

  ’t blij Hosanna komt U toe.

  Hosianna! Davids Zoon!

  Heil en zegen zij Zijn volk!

3

  Ja, Hosanna, Davids Zoon!

  Wees gegroet, o Vredevorst!

  Eeuwig staat Uw zetel vast,

  Eeuwig als Jehova’s troon.

  Ja, Hosanna, Davids Zoon!

  Wees gegroet, o Vredevorst!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 198: 1-4 Dorstigen, komt tot de wateren

1

  Dorstigen, komt tot de waat’ren des levens,

  Hong’rigen, neemt van het hemelse brood!

  Hier is de spijs en de lafenis tevens,

  Hier de vervulling van iedere nood.

  Wacht toch geen heil van hetgeen niet verzadigt,

  Ziet hoe Zijn gunst u zeer rijk begenadigt.

2

  Luistert naar Mij, en geniet van het goede,

  Laat heel uw ziel zich vermeien in lust,

  ‘k bied u Mijn vrede, Mijn veilige hoede,

  grazige weiden en lief’lijke rust.

  ‘k Heb tot Mijn eeuwig verbod u verkoren,

  plechtige aan David van oudsher gezworen.

3

  Hoger dan de-uwe zijn Mijne gedachten,

  Hoog als de hemel zich heft boven d’ aard’;

  Hoog als ’t gewelf, waar in schitt’rende nachten

  ’t oog legioenen van sterren ontwaart;

  Grootser het heilig ontwerp Mijner plannen

  Dan wat gij, mens, met uw geest kunt omspannen.

4

  ‘k Zal van Mijn woorden geen enkel doen vallen,

  als ik u uitleid met blijdschap en vree;

  Heuvel en berg laten loflied’ren schallen,

  Al het geboomte doet handklappend mee.

  Mirte van distel en den groeit uit doren,

  Ja, heel de schepping is wedergeboren.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 199: 1-3 De goede Herder

1

  een lammetje ging dwalen veraf en heel alleen,

  verliet de trouwe Herder en doold’ al verder heen.

  Zolang de zon bleef schijnen, was ’t lammetje niet bang;

  De bloempjes bloeiden lieflijk, alom was voog’len zang.

2

  Maar spoedig werd het duister, de wind blies koud en fel,

  De zon hield op te schijnen, de nacht viel in zo snel.

  Het kleine lam blaat klagen. Hoor! Angstig klinkt zijn klacht,

  Zo ver van huis en Herder in deze donk’re nacht.

3

  Maar zie, de goede Herder vermist het schaapje ras,

  Ging uit om ’t lam te zoeken, dat in gevaren was.

  Hij riep het luid bij name, zocht op het steilste pad,

  En hield niet op met zoeken tot Hij ’t gevonden had.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 200: 1-4 Jezus is de kindervriend

1

  Eenmaal mochten kind’ren

  Rondom Jezus staan,

  Niemand mocht ze hind’ren

  Om tot Hem te gaan.

2

  Vriendelijke woorden

  Heeft Hij toen gezegd,

  Zegenende handen

  Op hun hoofd gelegd.

3

  Zo heel dicht bij Jezus

  Kan ik nu niet staan;

  Hij is naar de hemel

  Weer terug gegaan.

4

  Maar nu klinkt Zijn stemme

  Zo vol heerlijkheid:

  “’k Heb voor al Mijn kind’rem

  hier een plaats bereid.”

 

Terug naar boven

 

 

LIED 201: 1 Één naam is onze hoop.

 

1

  Één naam is onze hope,

  Één grond heeft Christus’ kerk,

  Zij rust in éne dope,

  En is Zijn scheppingswerk.

  Om haar als bruid te werven

  Kwam Hij ten hemel af.

  Hij was ’t die door Zijn sterven

  Aan haar het leven gaf.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 202: 1-3 Pelgrimslied

1

  Een pelgrim ben ik hier op aard,

  Op reis naar ’t Vaderland,

  Wel menigmaal met zorg bezwaard,

  Bedreigd aan alle kant;

  Maar als mijn blik vooruit mag zien,

  Op ’t heil dat ginds mij beidt,

  Dan moeten alle neev’len vliên,

  Bij ’t licht der eeuwigheid.

  Grijpt moed, o pelgrims, draagt uw kruis,

  Eens eindigt leed en pijn!

  Straks komen al Gods kind’ren thuis,

  Wat zal dat zalig zijn.

2

  Een pelgrim ben ik hier op aard,

  Maar ‘k reis toch nooit allen!

  Mijn Heiland, die m’ op weg bewaart,

  Bestuurt en leidt mijn schreên.

  En als ‘k denk aan ’t geen mij wacht

  Daar ginds aan d’ overzij,

  Dan juich ik zelfs in storm en nacht

  Van angst en zorgen vrij!

  Grijpt moed, o pelgrims, draagt uw kruis,

  Eens eindigt leed en pijn!

  Straks komen al Gods kind’ren thuis,

  Wat zal dat zalig zijn.

3

  Een pelgrim ben ik hier op aard,

  Maar straks zie ‘k allen weer,

  Die Boven reeds bijeen vergaard

  Mij wachten bij de Heer!

  En bovenal, ‘k zie Jezus daar,

  Die met Zijn bloed mij kocht!

  Hem loof ik dan met harp en snaar

  Voor heel mijn pelgrimstocht!

  Grijpt moed, o pelgrims, draagt uw kruis,

  Eens eindigt leed en pijn!

  Straks komen al Gods kind’ren thuis,

  Wat zal dat zalig zijn.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 203: 1 Een rijke bron van zegen

1

  Een rijke bron van zegen

  Was Jezus’ komst op aard;

  Nog zeeg’nen Jezus’ handen,

  Als Hij ten hemel vaart.

  Thans ziet Hij uit de hoge

  Op al Zijn kind’ren neer;

  En hun ten zegen keer Hij

  Op ’s hemels wolken weer.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 204: 1-3

1

  Eens brachten de moeders

  de kinderen tot Jezus,

  Toen spraken de discipelen;

  “gaat weg van de Heer!”

  Maar Jezus zag hen henengaan

  en sprak haar o zo vriend’lijk aan:

  “Laat toch de kind’ren komen tot Mij!”

2

  “Want hen wil ‘k ontvangen

  en in Mijn armen nemen,

  Ik zal der lamm’ren Herder zijn:

  O zend z’ niet van hier!

  Elk kind, dat mij zijn hartje geeft

  Zal Ik maken dat gelukkig leeft.”

  “Laat toch de kind’ren komen tot Mij!”

3

  Hoe vriend’lijk was Jezus

  voor deze kleine kind’ren!

  Maar vele duizend kleinen,

  ach, zij hoord’ nooit Zijn naam!

  Zij weten nog niet, zoals wij,

  dat eens de lieve Heiland zei:

  “Laat toch de kind’ren komen tot Mij!”

 

Terug naar boven

 

 

LIED 205: 1-3 Een vaste burg

1

  Een vaste burg is onze God,

  Een toevlucht voor de Zijnen!

  Al drukt het leed, al dreigt het lot,

  Hij doet Zijn hulp verschijnen!

  De vijand rukt vast aan

  Met op gestoken vaan;

  Hij draagt zijn rusting nog

  Van gruwel en bedrog,

  Maar zal als kaf verdwijnen!

2

  Geen aardse macht begeren wij:

  Die gaat la ras verloren!
  Ons staat de sterke Held ter zij,

  Die God ons heeft verkoren.

  Vraagt gij Zijn naam?

  Zo weet, dat Hij de Christus heet,

  Gods Eengeboren Zoon,

  Verwinnaar van de troon!

  De zeeg’ is ons beschoren!

3

  Gods Woord houdt stand in eeuwigheid

  En zal geen duimbreed wijken.

  Beef, satan! Hij, die ons geleidt,

  Zal u de vaan doen strijken!

  Delf vrouw en kind’ren ’t graf,

  Neem goed en bloed ons af,

  Het brengt u geen gewin:

  Wij gaan ten hemel in

  En erven koninkrijken!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 206: 1-4 Er gaat door alle landen

1

  Er gaat door alle landen

  Een trouwe Kindervriend;

  Geen oog kan Hem aanschouwen,

  Maar Hij ziet ieder kind.

  De Hemel is Zijn Vaderland.

  Hij is des Heeren afgezant.

2

  Hij komt in alle huizen,

  En waar en vrolijk kind

  Zijn vader en zijn moeder

  En God de Heer bemint,

  Daar woont Hij gaarne dag en nacht

  En houdt er over ’t kind de wacht.

3

  Daar speelt Hij met de kind’ren

  Zo vriend’lijk en zo zacht;

  Hij deelt in hunnen vreugde

  En luistert naar hun klacht.

  En ’t kind, dat naar Zijn lessen doet,

  Wordt zacht en vriend’lijk van gemoed.

4

  En gaat het kind ter ruste

  Die Vriend verlaat hem niet;

  Bewaakt getrouw zijn bedje,

  Dat hem geen kwaad geschied;

  En wekt hem in de morgenstond,

  En maakt hem vrolijk en gezond.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 207: 1-2 Avondlied

1

  Gaat de schaduw dalen

  Over de landouw.

  Gaan de sterren stralen

  In het hemelblauw,

  Bij dat avondduister

  In het bloeiend hout,

  Trekt een heim’lijk fluist’ren

  Door het geurend woord.

  Trekt een heim’lijk fluist’ren

  Door het geurend woud.

2

  Als de wijde velden

  Zijn gehuld in nacht,

  Gaat een stem vermelden

  Langs de huizen zacht:

  “strekt uw moede leden

  slaapt nu wel te moe,

  God dekt met Zijn vrede

  Allen zeeg’nend toe!

  God dekt met Zijn vrede

  Allen zeeg’nend toe!”

 

Terug naar boven

 

 

LIED 208: 1-4 Ga niet allen

1

  Ga niet alleen door ’t leven,

  Die last is u te zwaar.

  Laat één u sterkte geven,

  Ga tot uw Middelaar!

  Daar is zoveel te klagen,

  Daar is zoveel geween,

  En zoveel leeds te dragen,

  Ga niet allen.

  En zoveel leeds te dragen,

  Ga niet alleen.

2

  Ga iet alleen; uw Koning

  Wil komen in uw hart.

  O, geef het Hem ter woning,

  Hoe stilt Hij dan uw smart!

  Wie kan er tranen drogen

  Als Jezus! Immers geen!

  Richt dan de treurend’ ogen

  Naar Jezus heen.

  Richt dan de treurend‘ ogen

  Naar Jezus heen.

3

  Wel zalig, die ’t ervaren,

  Dat Hij hun alles is;

  Dan kennen z’ in gevaren

  Bezorgdheid noch gemis.

  Hij draagt dan in Zijn armen,

  Door alle nood hen heen;

  Wie steunt op Zijn erbarmen,

  Is nooit alleen.

  Wie steunt op Zijn erbarmen,

  Is nooit alleen.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 209: 1-3 Lentelied

1

  Had ik uw adem nachtegalen.

  Uw zilv’ren toon!

  Langs alle heuv’len, alle dalen

  Zou ik uw smeltend lied herhalen

  Zo vol, zo schoon!

2

  Ik prees die God in mijn gezangen,

  Die veld en woud

  Weer ’t groene kleed heeft omgehangen,

  Na zoveel maanden van verlangen

  Zo blijd’ aanschouwd.

3

  Ik zou die grote Schepper love,

  Die ongezien,

  Zijn troon gevestigd heeft daar boven

  En Wien de bloemkens onzer hoven

  Hun hulde biên.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 210: 1 Ten strijde

1

  Heiland, Gij roept ons in ’t leven ten strijde,

  Maar moed en kracht, Heer, zij komen van U;

  Want wie U volgt in ’t geloof ’t allen tijde

  Die wordt aan ’t eind overwinnaar met U.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 211: 1-3 Heil het kind

1

  Heil het kind heil het kind,

  Dat Jezus als zijn Heiland mint!

  Het volgt die goede Herder na

  Leert Hem te vrezen vroeg en spâ.

  Heil het kind, heil het kind,

  Dat Jezus als zijn Heiland mint!

2

  O, wat vreugd, o wat vreugd,

  De Heer te kennen in zijn jeugd!

  Gij jonge harten! Zoekt Hem vroeg,

  Want Jezus mint men nooit genoeg.

  O, wat vreugd, o wat vreugd,

  De Heer te kennen in zijn jeugd!

3

  Sluit u aan, sluit u aan,

  Die mee wilt naar de hemel gaan!

  Daar is nog plaats bij Jezus’ kruis,

  Aan Jezus’ hart, in ’s Vadershuis,

  Sluit u aan, sluit u aan,

  Die mee wilt naar de hemel gaan!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 212: 1-2 Hoe is toch al dat leed gekomen

1

  Hoe is toch al dat leed gekomen,

  Waaronder ’t mensdom gaat gebukt?

  Waarom toch wordt niet weggenomen,

  Wat ons in droefheid nederdrukt?

  Wanneer wij naar Gods stem niet horen,

  Die ons van grote liefde spreekt,

  Gaat onze levensvreugd verloren,

  En glans en kleur dooft en verbleekt.

2

  Hoe schoon zou toch deez’ aarde wezen,

  Wanneer Gods liefde ons verbond;

  Dan stond Gods vreed’ en vreugd te lezen

  Op heel het wijde wereldrond.

  Wij zouden aan ons zelf niet denken,

  Maar delen in elkanders leed;

  Rondom ons troost en liefde schenken,

  Tot hulp en bijstand steeds gereed.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 213: 1-3 Geloofsvertrouwen

1

  Hoe ook de golven loeien,

  Hoe ook de golven slaan,

  Zij, die op God vertrouwen,

  Zij zullen niet vergaan.

  Al beukt de zee ons scheepje,

  Al zweept d’ orkaan ons voort,

  Geen onheil zal ons deren

  Is slechts de Heer aan boord!

2

  Hoe donker ’t ook moog wezen

  Hoe aak’lig zwart de nacht,

  Geen nood zal hem genaken,

  Die steeds de Heer verwacht.

  In middernacht’lijk duister,

  In schaduw van de dood,

  Is ons de Heer ten Leidsman,

  Tot toevlucht in de nood.

3

  Hoe zwaar ook ’t kruis te dragen,

  Hoe pijnlijk doornig ’t pad,

  Ons hart zal niet versagen,

  Wij kennen groter schat.

  Eens zullen wij hem eren,

  Eens drukt het leed niet meer,

  Als wij een kroon verwerven

  Voor eeuwig bij de Heer.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 214: 1-3 Gods zonnestraaltje

1

  Ieder van ons, schoon jong en klein,

  Kan wel een zonnestraaltje zijn,

  Kan er wel zeggen ’t vriend’lijk woord,

  Dat altijd gaarne wordt gehoord.

2

  Laat ons bij wat wij horen-en zien,

  ’t goede steeds willen ’t kwade-ontvliên,

  waar wij ook zijn, nooit zijn we-alleen,

  want God is altijd om ons heen.

3

  Licht is voor Hem de donk’re nacht,

  Hij weet al ’t geen ik deed of dacht.

  Als ik Hem zoek, schoon jong en klein,

  Mag ik Zijn zonnestraaltje zijn.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 215: 1-3 Ik heb de vaste grond gevonden

1

  Ik heb de vaste grond gevonden,

  Waar in mijn anker eeuwig hecht;

  Grond ter verlossing van de zonden,

  Door Gods verborgen raad gelegd.

  Die grond zal eeuwiglijk bestaan,

  Schoon aard’ en hemel ondergaan.

2

  Die grond is ’t eindeloos erbarmen,

  Dat al ons denken overtreft,

  Van Hem, die Zijn vaderarmen

  In liefde zondaars opwaarts heft;

  Die vol ontferming op ons ziet,

  Al achten wij Zijn roepstem niet.

3

  Op deze God slechts wil ik bouwen,

  Gerust in al wat mij weervaart;

  Aan Hem geheel mij toevertrouwen,

  Ook als de zonde mij bezwaart.

  Zij dan ons aller hart bereid,

  Te loven Gods barmhartigheid!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 216: 1-4 Ik zie een poort wijd openstaan

1

  Ik zie een poort wij openstaan,

  Waardoor het licht komt stromen,

  Van ’t Kruis, waar ‘k vrij’lijk heen mag gaan,

  Om vrede te bekomen.

KOOR:

    Genade Gods, zo rijk en vrij!

    Die poort staat open, ook voor mij!

    Voor mij! Voor mij!

    Staat open, ook voor mij!

2

  Die open poort laat d’ ingang vrij

  Aan wie komt binnenvlieden;

  Aan rijk en arm, aan u en mij

  Komt Jezus vrede bieden.

KOOR:

3

  Die open poort leidt tot Gods troon;

  Gaat door, laat niets u hind’ren;

  Neemt op uw kruis, aanvaard de kroon,

  Die God biedt aan Zijn kind’ren.

KOOR:

4

  In ’t hemelrijk voor Jezus’ troon,

  Daar leidt het kruis tot zegen;

  Daar dragen wij voor kruis en kroon,

  Door Jezus’ bloed verkregen

KOOR:

 

Terug naar boven

 

 

LIED 217: 1-1 Jeruzalem

1

  Jeruzalem, Jeruzalem

  Gij stad, zo hoog gebouwd,

  Waar eens des Heeren heerlijkheid

  Door Isrel werd aanschouwd,

  Hoe zijt gij thans in ’t stof verneêrd,

  Gevallen en bespot!

  Jeruzalem, Jeruzalem!

  Wij wenen om uw lot.

  AMEN.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 218: 1-3

1

  Jezus zegt, dat Hij hier van ons verwacht,

  Dat wij zijn als kaarsjes, brandend in de nacht.

  En Hij wenst, dat ieder tot Zijn ere schijn’,

  Gij in uw klein hoekje en ik in ’t mijn!

2

  Jezus zegt, dat Hij ieder kaarsje ziet,

  Of het helder licht geeft, of ook bijna niet.

  Hij ziet uit de hemel, of wij lichtjes zijn,

  Gij in uw klein hoekje en ik in ’t mijn!

3

  Jezus zegt ons ook, dat ’t zo donker is,

  Overal op aarde zonde-en droefenis.

  Laat ons dan in ’t duister held’re lichtjes zijn,

  Gij in uw klein hoekje en ik in ’t mijn!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 219: 1-3 Jonge, vrome helden!

1

  Jonge, vrome helden, Jezus roept u op!

  Laat nu elk zich melden, heft Zijn vaan in top!

  Satan maakt zich vaardig voor de laatste strijd!

  Toont nu onverschrokken, trouw, wiens man gij zijt!

  Hoe des vijands flitse om u suiz’ en gonz’

  Achter Koning Jezus is de zege ons.

2

  Laat de vijand naken, met de hel in ’t oog,

  Zou hij ’t hart ooit raken, dat voor Jezus boog?

  O, in eigen krachten is ’t wis niets gedaan,

  Zege-is slechts te wachten, achter Jezus aan!

  Hoe des vijands flitse om u suiz’ en gonz’

  Achter Koning Jezus is de zege ons.

3

  Koninkrijken wank’len, scepter valt en kroon,

  Eeuwig onbewogen staat uws Koning troon!

  Voorwaarts dan getrouwen schaart u in ’t gelid!

  Blijft op Jezus bouwen, worstelt, waakt en bidt!

  Hoe des vijands flitse om u suiz’ en gonz’

  Achter Koning Jezus is de zege ons.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 220: 1-3 Kent gij reeds de goede Herder?

1

  Kent gij reeds de goede Herder?

  Kent gij reeds de Herdersstaf,

  Die de Vader in de hemel

  In Zijn trouwe handen gaf?

2

  Is een lammetje-afgewezen,

  Bleef ’t niet bij het schapental,

  IJlings gaat Hij ’t schaapje zoeken

  In woestijn, op berg, in dal.

3

  Wilt gij ook op deze wereld

  Door die Herder zijn behoed?

  Wilt gij ook Zijn lamm’ren worden?

  Ook voor u gaf Hij Zijn bloed.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 221: 1 Kind’ren van één Vader

1

  Kind’ren van één Vader, reikt elkaar de hand!

  Waar wij mogen wonen, in wat streek of land,

  Hoe wij mogen spreken, in wat tong of taal,

  Kind’ren van één Vader zijn wij allemaal.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 222: 1-2 Kleine waterdropp’len

1

  Kleine waterdropp’len,

  Kleine korr’len zand,

  Vormen saam de trotse zee,

  En het schone land.

2

  Kleine liefde daden,

  Woordjes teer en zacht,

  Hebben vaak in ’t kleine huis,

  ’t grootst geluk gebracht.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 223: 1-3 Klokje klinkt

1

  Klokje klinkt, Vogel zingt,

  Iedereen op zijne wijs.

  Kind! Ook gij, zingt daarbij

  Tot des Heeren lof en prijs.

2

  Bid en zing, want geen ding

  Gaat er zonder bidden goed.

  Ieder kind, dat God mint,

  Zingt Hem met een blij gemoed.

3

  Leer, o leer tot de Heer

  Zingen, bidden elke stond.

  God geniet, graag een lied,

  Stijgend uit der kind’ren mond.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 224: 1-3 Kloppend, wie is daar?

1

  Kloppend, kloppend! Wie is daar?

  Wakend, wachtend, wonderbaar!

  ’t Is een Pelgrim, vreemd en vorst’lijk,

  als op aarde nooit verscheen.

KOOR:

    O, ontsluit voor Hem uw harte,

    O, zend Hem niet weig’rend heen.

2

  Kloppend, kloppend! Hij staat daar!

  Wachtend, wakend, vreemd voorwaar.

  Maar de deur is toegesloten,

  Door de dist’len dicht begroeid.

KOOR

    En de grend’len onbeweeg’lijk

    Door het klimop vastgeboeid.

3

  Kloppend, kloppend! Hoe? Steeds daar?

  Wakend, wachtend, o, ’t is waar!

  De doorboorde hand blijft kloppen,

  En in ’t wreed gekroond gelaat

KOOR

    Stralend’ogen, zacht en teder,

    Van uw Heer, die wachtend staat.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 225: 1-3 Kom, o Meester, tot ons in

1

  Kom, o Meester, tot ons in,

  Wil Gij zelf ons leren,

  Dat wij thans met hart en zin,

  Tot Uw woord ons keren.

  Leer ons zoeken naar ’t geluk

  Leer ons dragen ’t zachte juk

  Van de wil des Heeren.

2

  Uw discip’len zijn wij, Heer,

  Die van U niet wijken,

  Doe in ons Uw kracht steeds meer

  Ter vernieuwing blijken,

  Tot wij in gerechtigheid,

  Ootmoed, liefde’ en heiligheid,

  Op Uw beeld gelijken.

3

  Hebt Gij door Uw wondermacht

  Kranken vaak genezen,

  Zijn door Uwe levens kracht

  Doden zelfs verrezen,

  Wil dan door Uw Heil’ge Geest,

  Wat Gij and’ren zijt geweest,

  Thans voor ons ook wezen.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 226: 1-3 Kom tot uw Heiland

1

  Kom tot uw Heiland, toef langer niet,

  Komt nu tot Hem, die redding u biedt,

  Die ook voor u de Hemel verliet,

  Hoor naar Zijn roepstem “Kom!”

  Heerlijk, heerlijk klinkt de vreugdetoon

  Van de zaal’gen juichend bij Gods Zoon;

  Als zij vergad’ren rondom de troon,

  Daar waar de eng’len staan.

2

  “Laat kind’ren komen” zo klonk Zijn stem!

  Spring op van vreugd, verblijd u in Hem,

  O luister naar die lieflijke stem:

  “Toef langer niet, maar kom!”

  Heerlijk, heerlijk klinkt de vreugdetoon

  Van de zaal’gen juichend bij Gods Zoon;

  Als zij vergad’ren rondom de troon,

  Daar waar de eng’len staan.

3

  Wil toch bedanken, Hij is nabij

  Volg dan Zijn stem, ook u maakt Hij vrij.

  Luister, Hij spreekt tot u en tot mij:

  :Komt tot mij kind’ren, komt!”

  Heerlijk, heerlijk klinkt de vreugdetoon

  Van de zaal’gen juichend bij Gods Zoon;

  Als zij vergad’ren rondom de troon,

  Daar waar de eng’len staan.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 227: 1-2 Laat alle kinderen tot Mij komen

1

  “Laat alle kind’ren tot Mij komen,”

  dat heeft de Heiland eens gezegd,

  Hij heeft ze dicht bij zich genomen

  En hen de hand op ’t hoofd gelegd.

  “Laat alle kind’ren tot Mij komen”,

  dat heeft de Heiland eens gezegd.

2

  Eén van die kind’ren mag ik wezen,

  Ook ik mag vrij tot Jezus gaan.

  Bij Jezus heb ik niets te vrezen;

  Vol liefde ziet de Heer mij aan.

  Één van die kind’ren mag ik wezen,

  Ook ik mag vrij tot Jezus gaan.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 228: 1-2 Laat de kind’ren tot Mij komen

1

  Laat de kind’ren tot mij komen,

  Is uit Jezus’ mond gehoord.

  Hebt gij ’t allen wel vernomen?

  U, u geldt dit heerlijk woord.

  ’t Armste kind wordt niet verstoten,

  niemand is er uitgesloten,

  allen roept Hij tegelijk

  tot Zijn heerlijk Koninkrijk.

2

  Laat de kind’ren tot mij komen,

  Noodt nog steeds des Heilands stem.

  Wat u drukt, wordt weggenomen,

  Allen vinden troost bij Hem.

  Uit bedroefde kinderharten,

  Weert Hij angsten, bant Hij smarten;

  Grijpt de hand die Hij u biedt:

  Die Hem volgen dwalen niet.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 229: 1-5 Mijn Herder is de Levensvorst

1

  Mijn Herder is de Levensvorst;

  Zijn goedheid zal mij leiden.

  Daar ik ben Zijn en Hij is mijn,

  Zal Hij van mij niet scheiden.

2

  Hij voert mij - door Zijn dood verlost –

  Aan klare levensstromen.

  Hij brengt mij zacht aan waat’ren stil,

  Waar groene weiden dromen.

3

  Dwaald’ ik, onvolgzaam, van Hem af;

  Zijn trouw wou naar mij vragen

  En in Zijn liefde armen teer

  Mij veilig huiswaarts dragen.

4

  Ik vrees geen kwaad in doodsvallei

  Met U, Heer, aan mijn zijde:

  Uw stok en staf vertroosten mij,

  Uw kruis is mijn geleide.

5

  Heer, al mijn levensdagen lang

  Begeeft m’ Uw goedheid nimmer.

  Mijn Herder trouw! U zing ik lof

  Eens in Uw huis voor immer.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 230: 1-3 Nader tot U, o Heer

1

  Nader tot U, o Heer,

  Nader tot U;

  Drukt mij de zorg terneer,

  Ik kom bij U.

  In al mijn pijn en smart,

  Wens ik met heel mijn hart:

  Dichter bij U te zijn,

  Nader tot U.

2

  Is ’t wel eens nacht voor mij,

  Weet ik geen raad;

  Wordt ’t duister om mij heen,

  Ik vrees geen kwaad.

  Hoe bang het mij ook zij,

  Gij zegt: “Vertrouw op Mij;”

  Dus ook door tegenspoed:

  Nader tot U.

3

  Weldra is ’t einde daar

  Van d’ aardse strijd,

  Wat ook mijn deel hier zij,

  Voor korte tijd,

  Gij Heer, hebt mij bereid

  Eeuwige zaligheid.

  Nader, mijn God, tot U,

  Eeuwig met U.

  AMEN.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 231: 1-3 Neen, toon niet uw lijden

1

  Neen, toon niet uw lijden, want elk heeft zijn deel;

  Bloedt ook la u ’t harte en schijn’ ’t u te veel

  Keer in tot uzelve bij eenzaam gebed;

  Klaag ’t enig aan Jezus, Die troost geeft en redt.

2

  Klaag ’t enig aan Jezus, Hij weet uw verdriet;

  Zeg ’t alles aan Jezus, Die laaf’nis u biedt;

  Hij, ’t licht dezer wereld, geeft vrede-u en kracht,

  In ‘t lijden u steunend met hemelse macht.

3

  Troost mild u uw Heiland, ga dankbaar ook heen,

  En laat, in Zijn lijden, geen broeder alleen.

  Zeg wat Gods genade voor u heeft gedaan,

  En dat hij geen boet’ling ooit troost’loos laat staan.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 232: 1-6 Het verloren schaap

1

  Negen en negentig schaapjes zijn

  in de kooi bijeen;

  Maar één doolt in ’t duister rond,

  angstig en alleen.

2

  Hoort! De Herder roept zijn naam,

  luistert naar ’t geblaat.

  Teder lam, acht, kom terug,

  eer het is te laat.

3

  Maar het komt niet naar de kooi,

  Hoe Hij roepen moog’;

  Toch is dit verloren schaap

  Dierbaarst in Zijn oog.

4

  Negen en negentig schaapjes zijn

  In de kooi te zaam;

  Zoekend doolt de Herder rond,

  Roepend steeds zijn naam.

5

  Zie, Hij vindt het! Welk een vreugd!

  Veilig in Zijn arm

  Draagt de Herder het naar huis

  In Zijn mantel warm.

6

  Jezus’ lamm’ren zijn ook wij;

  Dwalend ver van huis,

  Maar Zijn liefde zoekt ook ons,

  Brengt ons veilig thuis.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 233: 1-4 Nooit wordt Gij ’t geven moe

1

  Nooit wordt Gij ’t geven moe,

  O God van liefd’ en licht,

  En d’ ere komt alleen U toe

  Van ’t werk, door ons verricht.

2

  U geven wij iets weer

  Van alles wat G’ ons schenkt,

  En danken U, dat Gij o Heer,

  Niet ons tekort gedenkt.

3

  Wat wij ontvingen toen,

  Dat schenken wij, U nu

  En wat wij immer voor U doen,

  Dat doen wij ook door U.

4

  Maak ons recht toegewijd,

  Rentmeesters van Uw goed,

  Die nemen slechts te allen tijd,

  Uit Uwe overvloed,

  AMEN.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 234: 1-3 Zondagmorgen

1

  Nu roept de kerkklok met zacht geluid

  De mensen allen ter woning uit;

  Naar ’t huis des  Heeren gaat groot en kleen,

  In stille eerbied aandachtig heen.

2

  Om Hem te danken, Die zoveel goed

  Aan alle mensen en kind’ren doet;

  Om Hem te bidden, dat Hij vergeev’

  Wat ieder onzer voor kwaad bedreef.

3

  O, lieve  Heere, Gij goede God!

  O, leer ons leven naar Uw gebod;

  En ied’re kerkgang zij ons een feest,

  Waarop we-U loven met blijde geest.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 235: 1-4 O, laat mij ’t u vertellen

1

  O, laat mij ’t u vertellen,

  Wie Jezus Christus is;

  Hoe Hij tot mij wou komen

  In leed en droefenis.

  Mij vriend’lijk wou vertroosten,

  In ‘s lijdens donk’re nacht,

  En als met eigen handen,

  Mij hulp en redding bracht.

2

  O, laat mij ’t u vertellen,

  Wie Jezus Christus is;

  Hoe Hij mij wou verzeek’ren

  Van schilvergiffenis.

  Mijn zonden vreê vervult,

  En vast mij doet geloven;

  Ik ben verlost van schuld.

3

  O, laat mij ’t u vertellen,

  Wie Jezus Christus is;

  Die altijd met Zich zelve

  Vergoedt mijn groot gemis.

  Die, waar ik eenzaam wandel,

  Onzichtbaar mij omzweeft,

  En tot de strijd des levens

  Mij moed en sterkte geeft.

4

  Maar nee, mijns zwakker woorden

  Vermelden ’t niet, o Heer!

  Gij zijt, voor wie U volgen,

  Nog eind’loos, eind’loos meer

  In leven en in sterven

  Zijt Gij ons steeds nabij….

  Een Heiland vol ontfermen

  Ja, Jezus, dat zijt Gij.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 236: 1-13 Kindervreugde

1

  O, wij kind’ren, wij leven,

  Als de vogeltjes blij,

  Want de Heere daar boven

  Zorgt voor u en voor mij.

2

  Van ons allen te geven

  Wordt die Heer nimmer moe;

  Elke dag duizend gaven

  Strooit Hij vriend’lijk ons toe.

3

  Als de zon in de morgen

  Uit de sluim’ring ons kust,

  Staan wij op zonder zorgen

  Na een veilige rust.

4

  O, wat rijkdom van zegen

  Geeft die vriend’lijke God!

  Mocht mijn hart maar steeds kleven

  Aan Zijn woord en gebod!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 237: 1-3 Zondagmorgen

1

  Roerloos ligt nog d’ aarde, rust in reine pracht,

  Slechts Gods eng’len zweven door de stille nacht,

  Snelle wieken reppen naar des Hoogsten troon;

  Heil’ge lied’ren ruisen, Heil’ge lied’ren ruisen

  Op naar Godes woon, op naar Godes woon.

2

  Morgenglansen scheem’ren aan de hemelboog.

  Helle stralen schieten schitt’rend naar omhoog,

  En de gouden zonne rijst in volle pracht,

  Blijde vogels kwelen, blijde vogels kwelen;

  D’ aard ontwaakt en lacht, d’aard ontwaakt en lacht.

3

  Klokketoren klinken, klinken, roepen wijd en zijd.

  Noden naar Gods tempel, naar Zijn heerlijkheid.

  Komt nu allen samen, knielt nu allen naar

  Voor der mensen Vader, voor der mensen Vader,

  Voor der Heem’len Heer, voor der heem’len Heer.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 238: 1-4 Oogstlied

1

  Sikkels klinken, sikkels blinken,

  Ruisend valt het graan.

  Zie de bindster gâren

  Zie in lange scharen

  Garf bij garven staan.

2

  Slaat uw ogen naar de hoge,

  Alles kwam van daar!

  Zachte regen daalde,

  Vriend’lijk zonlicht straalde

  Mild op halm en aar.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 239: 1-4 Uit de Hemel teder

1

  Uit de Hemel teder

  Ziet de Heere God

  Op de kind’ren neder,

  En bestuurt hun lot.

2

  Hij hoort hunne bede,

  Trouw bij dag en nacht,

  Houdt bij elke schrede

  Over hen de wacht.

3

  Hij geeft met erbarmen,

  Hun het daag’lijks brood,

  Sluit hen in Zijn armen,

  Redt hen uit de nood.

4

  Zeg de kind’ren allen,

  Dat die God hen mint,

  Die met welgevallen

  Neerziet op een kind.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 240: 1-3 Veilig in Jezus’ armen

1

  Veilig in Jezus’ armen,

  Veilig aan Jezus’ hart;

  Daar in Zijn teer erbarmen,

  Daar rust mijn ziel van smart.

  Hoor! ’t Is het lied der eng’len,

  Zingend van liefd’ en vree,

  Ruisend uit ’s Hemels zalen

  Over de glazen zee.

  Veilig in Jezus’ armen,

  Veilig aan Jezus’ hart;

  Daar in Zijn teer erbarmen,

  Daar rust mijn ziel van smart.

2

  Veilig in Jezus’ armen,

  Vrij bij mijn Heer en Borg,

  Vrij van ’t gewoel der wereld,

  Vrij van verdriet en zorg.

  Vrij van vrees en twijfel,

  Vrij van der zonden macht;

  Nog slechts een weinig lijden,

  Nog slechts een korte nacht.

  Veilig in Jezus’ armen,

  Vrij bij mijn Heer en Borg,

  Vrij van ’t gewoel der wereld,

  Vrij van verdriet en zorg.

3

  Jezus, mijn dierb’re Toevlucht.

  Jezus, Gij stierf voor mij!

  Dat op de rots der eeuwen

  Eeuwig mijn hope zij.

  Heer, laat mij lijdzaam wachten,

  Tot dat het duister vliedt,

  En ’t oog aan gindse kusten

  U in Uw glorie ziet.

  Jezus, mijn dierb’re Toevlucht.

  Jezus, Gij stierf voor mij!

  Dat op de rots der eeuwen

  Eeuwig mijn hope zij.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 241: 1-3 Ons hemels huis

1

  Waarheen, pelgrims waarheen gaat gij,

  ’t oog omhoog en hand aan hand?

  Wij gaan op des Konings roepstem,

  Naar ons huis in ’t Vaderland!

  Over bergen en door dalen

  Gaan wij naar de blijde zalen,

  Gaan wij naar de blijde zalen

  Van Gods huis in ’t Vaderland;

  Gaan wij naar de blijde zalen

  Van Gods huis in ’t Vaderland!

2

  Storm en duisternis bedreigt u;

  Zij gij voor ;t gevaar bestand?

  Waarom zou ons harte vrezen,

  Wand’lend aan des Heeren hand?

  Jezus Zelf  zal voor ons strijden,

  Ons in storm en nacht bevrijden,

  Ons in storm en nacht bevrijden,

  Voor Gods huis in ’t Vaderland,

  Ons in storm en nacht bevrijden,

  Voor Gods huis in ’t Vaderland!

3

  Zegt ons, pelgrims, wat verwacht gij

  Als uw deel aan ’t beet’re strand?

  Koningskroon en priesterkleding,

  Wacht ons uit des Heilands hand.

  God de Heil’ge Ongeziene,

  Zullen wij met d’ eng’len dienen,

  Zullen wij met d’ eng’len dienen

  In der eng’len huis en land!

  Zullen wij met d’ eng’len dienen,

  In der eng’len huis en land!

4

  Pelgrims, zegt ons, mogen wij ook

  Met u trekken naar dat land?

  Komt, weest welkom, volgt ons allen,

  ’t oog omhoog en hand aan hand.

  Bij der eng’len vreugdezangen

  Zal ons Jezus Zelf ontvangen,

  Zal ons Jezus Zelf ontvangen,

  In Gods huis, in ’t Vaderland!

  Zal ons Jezus Zelf ontvangen,

 In Gods huis, in ’t Vaderland!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 242: 1-4 Wandel maar stillekens achter Hem aan

1

  Wandel maar stillekens achter Hem aan,

  Achter de Heiland. Hij wijst u de wegen

  Zijn die niet altoos zo lieflijk gelegen,

  Als gij zoudt wensen: wil ze toch gaan,

  Hij gaat vooraan, Hij gaat vooraan.

2

  Wandel maar stillekens achter Hem aan,

  Hij kent uw krachten, Hij richt uwe schreden

  Moeilijk wel dikwijls voor wie ze betreden

  Toch nooit te moeilijk is er de baan:

  Hij gaat vooraan, Hij gaat vooraan.

3

  Wandel maar stillekens achter Hem aan,

  Is het ook duistere nacht om u henen:

  Hij is van hemelse glorie omschenen.

  Veilig is steeds met Jezus de baan,

  Hij gaat vooraan, Hij gaat vooraan.

4

  Wandel maar stillekens achter Hem aan

  Volg maar gewillig, volg Hem onverdroten:

  Weldra ziet gij u de hemel ontsloten,

  Die gij al juub’lend binnen zult gaan,

  Hij gaat vooraan, Hij gaat vooraan.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 243: 1-4 Vertrouwen

1

  Wanneer ik in de morgen

  mijn ogen open doe,

  Dan schijnt de hele wereld

  zo wondermooi mij toe

  ’t Is of een stem des hemels

  mij zegt: “Wees rustig kind,

  vertrouw op Mij, uw Vader,

  Die u zo zeer bemint.”

2

  De ganse dag geniet ik

  Veel zegeningen groot:

  ‘k Heb ouders, huis en kleding

  en steeds mijn daag’lijks brood.

  De vogels zingen vrolijk,

  Het zonnetje schijnt blij;

  Ja, onze Hemelvader

  Is toch zo goed voor mij.

3

  Als dan weer d’ avond nadert

  En ’t duister wordt en stil,

  En iedereen naar huis gaat,

  En alles rusten wil,

  Dan leg ik mij ter neder,

  En sluimer rustig zacht;

  Mijn Vader in de Hemel

  Houdt over mij de wacht.

4

  En vlieden dan de dagen

  En jaren ook voorbij,

  Mijn hart kan vrolijk blijven,

  Van angst en vreze vrij.

  ’t Is of een stem des hemels

  mij toeroept: “O mijn kind,

  Vertrouw steeds op uw Vader,

  Die u zo zeer bemint.”

 

Terug naar boven

 

 

LIED 244: 1-3 Gods voorzienigheid

1

  Weet gij hoeveel held’re sterren

  Aan de blauwe hemel staan?

  Weet gij hoeveel donk’re wolken

  Boven alle bergen gaan?

  Al die duizenden te zamen,

  Roept de Heer bij hunnen namen

  En niet een ontglipt Zijn oog,

  En niet een ontglipt Zijn oog.

2

  Weet gij hoeveel mugjes dart’len

  In de hete zonnegloed?

  Weet gij hoeveel visjes spart’len

  In de zilv’ren watervloed?

  Al die duizenden te zamen,

  Roept de Heer bij hunnen namen

  ’t Is de Heere, die ze voedt,

  ’t is de Heere, die ze voedt.

3

  Weet gij hoeveel kind’ren rijzen,,

  Uit hun bedjes, keer op keer?

  Opdat zij hun dank bewijzen

  Aan die trouwe Hemelheer?

  Aan die duizend duizendtallen,

  Heeft die God een welgevallen,

  En ook mij bemint Hij teer,

  En ook mij bemint Hij teer.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 245: 1–2 Wilhelmus

1

  Wilhelmus van Nassouwe

  Ben ik van Duitse bloed,

  Het Vaderland getrouwe

  Blijf ik tot in de doed.

  Een prince van Oranje

  Ben ik vrij, onverveerd;

  De Koning van Hispanje

  Heb ik altijd geëerd.

2

  Mijn schild en mijn betrouwen

  Zijt Gij, o God, mijn Heer!
 Op U zo wil ik bouwen,

  Verlaat mij nimmer meer!

  Dat ik toch vroom mag blijven,

  Uw dienaar te-aller stond,

  De tirannie verdrijven

  Die mij mijn hart doorwondt.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 246: 1-5 Wij hebben een woord voor de wereld

1

  Wij hebben een woord voor de wereld,

  Die sterft aan haar twijfel en strijd;

  Het woord, dat slechts waarheid en liefde

  De weg tot de vrede bereidt.

2

  Wij weten een lied voor de wereld,

  Door d’ eeuwen de mensen bewaard;

  Dat eenmaal de spies wordt verbroken,

  Tot sikke’len geslagen het zwaard.

3

  Wij wijzen een weg voor de wereld,

  In weedom en smarten verteerd;

  Dat allen de liefde geloven

  Van God, die de wereld regeert.

4

  Wij kennen een Heiland der wereld,

  Wiens liefde de kruisdood verdroeg,

  In wie God nog altijd blijft zoeken

  Het hart, dat naar Hem nimmer vroeg.

5

  Wij hebben een woord voor de wereld:

  Een tijdperk van vrede breekt aan!

  Zijn Koninkrijk komt, en wij weten,

  Dat eeuwig dit Rijk zal bestaan.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 247: 1-2 Wij geven het niet over

1

  Wij geven het niet over voor geld of eer of goed,

  Dat licht op onze paden, die lamp voor onze voet.

  Wij laten ons niet nemen dat heerlijk Woord van God;

  Die kostelijke Bijbel rooft ons geen tijd of lot.

2

  O schrijf ’t in onze harten Uw heilig Woord, o Heer,

  Dan vrezen wij geen satan, geen dood of oordeel meer;

  Want bergen zullen wijken, de wereld zal vergaan,

  Maar ’t Woord - het Woord des Heeren, zal eeuwiglijk bestaan.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 248: 1-3 Ziet, in blinde razernij

1

  Ziet, in blinde razernij

  Tuimelen de vloeden

  Hulp noch haven is nabij

  In dit onweerswoeden,

  Één toch in de donk’re nacht,

  Één houdt over ons de wacht.

  Heere, trek mee,

  door stormen en door zee!

2

  ’t Schemerlicht de maan verbleekt;

  alle sterren vlieden.

  Als het roer van ’t scheepje breekt,

  Wie zal hulpe bieden?

  Wie, o Heer, dan Gij alleen?

  Ziet, reeds drijft het onweêr heen!

  Heere, trek mee,

  door stormen en door zee!

3

  Vrees ik in mijn laatste strijd,

  dat ik moet verdrinken,

  als Ge-o Heer! Mij niet bevrijdt;

  hoed mij voor verzinken,

  Neem mij veilig bij de hand;

  Breng mij in het Vaderland!

  Heere, trek mee,

  door stormen en door zee!

 

Terug naar boven

 

 

SLOTLIEDEREN

LIED 249: 1-3 Als wij gaan scheiden

1

  Als wij van hier gaan scheiden,

  Blijf Gij ons Heer nabij!

  Wil door Uw Geest ons leiden,

  Sta altijd ons terzij!

  Is hier ons werk volbracht,

  ’t zij U o Heer bevolen,

  gestadig, dag en nacht.

2

  Uw zegen en Uw liefde

  Daal’ op ons allen neêr;

  En zo ons hart U griefde

  Vergeef het ons, o Heer,

  Waar ook de voet moog gaan,

  Op alle onze wegen

  Zie, Heer! In gunst ons aan.

3

  Eens als voor goed wij scheiden

  Door Uwe hand gewenkt,

  Laat dan de vreugd ons beiden

  Die Gij Uw kind’ren schenkt!

  Breng Heer, ons veilig Thuis;

  Om eeuwig U te loven

  In ’t heerlijk Vaderhuis!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 250: 1 Bede

1

  De Heere zeeg’ne en behoede ons;

  De Heer doe Zijn aanschijn over ons lichten

  En geef’ ons vrede

  De Heer zal onze uitgang en ingang bewaren

  Van nu aan tot in alle eeuwigheid.

  Amen, Amen.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 251: 1-2 Ga Gij nu met ons mede

1

  Ga Gij nu met ons mede,

  Getrouwe Heer!

  En schenk ons Uwe vrede,

  Steeds meer en meer.

  Uw vriend’lijk aangezicht

  Verhef het, Heer,

  Opdat het ons verlichte

  Steeds meer en meer!

2

  Rust’ op ons werk Uw zegen,

  Ontferm U, Heer!

  Uw rijk koom’ aller wege

  Ontferm u heer,

  Breng ons, die heden scheiden,

  Eens bij U saam;

  En leer ons U verbeiden

  In Jezus’ naam.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 252: 1-2 Danklied

1

  Getrouwe Heer, aleer wij scheiden gaan,

  Neem onze dank voor deze ure aan;

  Gij hebt ons Heer, Uw gunst opnieuw getoond,

  Ons samen-zijn met Uw genâ bekroond.

2

  Blijf bij ons Heer, ga mede naar ons huis,

  En woon ook dáár bij vreugde en bij kruis.

  Uw Woord, Uw Geest, moog’ allen, groot en klein

  Ook dáár ten gids naar ’t eeuwig leven zijn.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 253: 1-4 Nu een danklied aangeheven

1

  Nu een danklied aangeheven

  Onze trouwe God ter eer!

  Hij heeft ons dit feest gegeven,

  Schonk ons redding, heil en leven,

  Halleluja! Looft de Heer.

  Halleluja! Looft de Heer.

2

  Welk een rijke bron van zegen

  Gaf Hij ons in Zijnen Zoon!

  D’ Open hemel lacht ons tegen

  Laat ons gaan op Zijne wegen,

  En ons buigen voor Zijn troon,

  En ons buigen voor Zijn troon.

3

  Nu wij van elkander scheiden,

  Ga Gij Heiland, met ons meê.

  Wil ons als Uw schaapjes weiden

  En ons zegenend geleiden

  Naar het land van rust en vreê!

  Naar het land van rust en vreê!

4

  Schoner zal ons lied daar rijzen,

  Want in ’s hemels reine sfeer,

  Zullen wij volmaakt U prijzen

  Voor Uw vele gunstbewijzen,

  Eeuwig juichen tot Uw eer.

  Eeuwig juichen tot Uw eer.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 254: 1-2 Gebedje

1

  Vouwt de kleine handjes saâm,

  Sluit ook d’ oogjes nu!

  Vader, voor wij henengaan,

  Bidden wij tot U.

2

  Wij zijn Uwe kind’ren, Heer!

  En wij vragen zacht:

  Blijf, o blijf ons steeds nabij,

  Nu en in de nacht.

  AMEN

 

Terug naar boven

 

 

LIED 255: 1-4 Geen oost of west

1

  In Christus is de wereld één!

  Zijn grote liefd’ omspant

  En oost en west èn noord en zuid

  Door één gemeenschapsband.

2

  Zijn dienst is blijdschap voor wie eens

  Zijn glorie heeft aanschouwd;

  Zijn dienst bindt Zijn discip’len saam

  Als met een snoer van goud.

3

  Legt in ’t geloof dan hand in hand

  En stand en ras verdwijnt.

  Het kindschap Gods maakt één,

  waar Hij als broeder ons verschijnt.

4

  Geen oost of west maakt scheiding meer

  En zuid en noord wordt één;

  De wereld wordt één broederschap

  In Hem, in Hem alleen!

 

Terug naar boven

 

 

CANONS

LIED 256: 1-2 Lof en dank en ere

 

  Lof en dank en ere

  Brengen wij

  de Schepper aller dingen

  Halleluja!

  Lof en dank en ere

  Brengen wij

  de Schepper aller dingen

  Halleluja!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 257 1-2 Halleluja, Halleluja

 

  Halleluja, Halleluja,

  Amen, Amen

  Amen, Amen

 

Terug naar boven

 

 

LIED 258 Voor alle goede gaven, Heer

 

  Voor alle goede gaven Heer,

  Zij U de dank en eer!

  Zij U de dank en eer!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 259 Ere zij God in de Hoge!

 

  Ere zij God in de Hoge!

  Vrede op aarde, vrede op aard ‘t

  In de mens een welbehagen!

  Amen, Halleluja!

 

Terug naar boven