Psalm 10 1 Hoe komt het, Heer, dat Gij zo verre zijt? Hoe kan het zijn verborgen voor uw blik dat uw vernederd volk verdrukking lijdt? Verwar de trotse in zijn eigen strik, ontstel hem met de dreiging van uw schrik! Hij gaat met zijn hebzuchtig hart te rade, zichzelve roemend, Heer, om U te smaden. 2 Het gaat hem al te goed. Hij pocht in trots, zijn neus hoog opgestoken in de wind: "Daar is geen God, daar is geen oordeel Gods, niemand vraagt rekenschap van mijn bewind". Het blind geluk heeft ook zijn hart verblind. Gij blijft hem ver, te hoog om te aanschouwen is uw gericht. Niets dat hem kan benauwen. 3 "Ik sta met mijn geslacht onwankelbaar in eeuwigheid", is wat zijn hart bepeinst, "ik heb me wel beveiligd voor gevaar". Zijn mond is vol bedrog, zijn tong geveinsd. Nooit is hij voor geweld teruggedeinst. Bij de gehuchten, in geheime oorden, schuilt hij om schuldelozen te vermoorden. 4 Ineengedoken als een leeuw op jacht, zit hij verborgen in het struikgewas, bespiedt zijn prooi met loerend oog en wacht tot hij de arme met zijn sprong verrast. Hij houdt hem in zijn sterke klauwen vast en denkt daarbij: "Geen rechter zal het weten, God ziet mij niet, God zal het wel vergeten". 5 Heer God, sta op! Vergeet de armen niet! Maak de hoogmoedigen voorgoed te schand! Gij zijt de Heer, o God die alles ziet en alle moeiten opneemt in uw hand! U smeekt de wees om hulp en onderstand. O steun de zwakken, breek de macht der bozen en doe te niet de kracht der goddelozen! 6 De Heer is koning in der eeuwigheid. De heidenen vergaan waar Hij regeert. Gij hebt uw oor geneigd, en onderscheidt wat ook het needrigst hart van U begeert. Als Gij het onrecht met uw recht verteert, sterkt Gij hun hart. Verdrukten en verweesden gaan in uw naam als eeuwig onbevreesden. Psalmen uit het Liedboek voor de Kerken (1973)