Gezang 439


1   Hoe glanst bij Gods kindren het innerlijk leven,
al zijn zij door zonlicht en regen verweerd.
Wat hun door de Koning des lichts is gegeven,
dat houden zij teder naar binnen gekeerd.
Het hart van hun werken,
dat niemand kan merken,
verlicht hen met liefde in leven en sterven
en doet hen de hemelse zaligheid erven.

2   Wel schijnen zij enkel geringen van buiten,
voor engelen donker, voor mensen een spot,
maar innerlijk zijn zij als lieflijke bruiden,
het sieraad, de kroon en de glorie van God,
zij die zich bereiden
op 't einde der tijden.
De koning zal onder de leliŽn weiden,
in stralend gewaad zullen zij Hem geleiden.

3   Uit Adams geslacht zijn zij allen geboren
en hebben het aardse verlangen geproefd,
zijn zondaren die aan het lichaam behoren,
en eten en drinken naar dat het behoeft.
In daag'lijkse zaken,
in slapen en waken,
zijn zij voor het aanzien niet anders dan and'ren,
behalve dat zij in het licht willen wand'len.

4   Want die in hun hart van het hemelse stammen,
geboren uit God door zijn scheppende woord,
van binnen zijn zij als de sierlijke vlammen
van 't heilige vuur dat hun leven behoort.
Het lied dat zij zingen
met engelenkringen,
dat zal, waar de eeuwige hemelen blinken,
zo zoet en zo zuiver, zo innig weerklinken.

5   Zij wand'len op aarde, zij zijn in de hemel,
hun zwakheid bewaart deze wereld voor God.
Zij smaken de vrede in 't aardse gewemel,
zijn arm en zij hebben het hoogste genot.
Zij hebben in lijden
bestendig verblijden
en liefelijk leven zij zuiver van zinnen.
Zij hebben een blinkende wereld van binnen.

6   Als Christus, hun leven, zich zal openbaren,
wanneer Hij zal zijn, die Hij eind'lijk zal zijn,
dan zullen zij met Hem als vorsten der aarde
in glorie verschijnen, volkomen en rein.
Zij zullen regeren,
met Hem triomferen,
als stralende lichten de hemelen sieren,
het feest van de vreugde in eeuwigheid vieren.

7   O Jezus, o schat die in 't hart is geborgen,
o heimelijk sieraad dat glanst in de ziel,
laat ons met U meegaan op weg naar de morgen,
of 't kruis met zijn schaduw ook over ons viel.
Hier leven terzijde
in smaadheid en lijden,
hier omgaan met Christus in stilte van binnen,
daar eenmaal, zoals wij bemind zijn, beminnen.

Liedboek voor de Kerken 1973