Gezang 34


1   Om Sions wil zwijg ik niet stil,
maar zal het heil des Heren,
Jeruzalem, met luider stem
lofzingend profeteren;
totdat uw leed gewroken is,
totdat uw licht ontstoken is,
totdat gij straalt in ere.

2   Uw luister gaat als dageraad
voor alle volken blinken.
Gij draagt voortaan een nieuwe naam
die God u toe zal denken.
O kroonjuweel, o donk're gloed,
o kleinood Gods dat flonk'ren moet
met glans die Hij zal schenken.

3   Zoals een maagd die wordt gevraagd
is Sion opgetogen.
Zoals een bruid haar man verblijdt,
zal zij de Heer verhogen.
Haar land zal niet verlaten zijn,
't zal bruiloft in haar straten zijn
en lente in haar hoven.

4   Rondom de muur wordt ieder uur
Gods wachtwoord doorgegeven.
Zo is de tijd die nu verstrijkt
met zijn geheim doorweven.
Gun u geen rust bij dag en nacht,
totdat door Gods gezag en macht
Jeruzalem mag leven.

5   Dan wordt uw ooft niet meer geroofd,
geen oogst gaat meer verloren.
Dan zult gij staan met most en graan
in 't huis, door God verkoren.
De zaaier eet de vrucht van 't land.
Dit heeft God bij zijn rechterhand
aan IsraŽl gezworen.

6   Ruim baan, ruim baan! Gods volk mag gaan
naar 't land van melk en honing.
Trekt voort, trekt voort! gaat door de poort
van zijn verheven woning.
De volken zien uw heilig spoor,
zij volgen het en neigen voor
de standaard van uw koning.

Liedboek voor de Kerken 1973