Psalm 116


1   God heb ik lief, want die getrouwe Heer
nam, toen ik riep, met toegenegen oren
mijn woorden aan. Hij zal mij blijven horen
en levenslang ben ik niet eenzaam meer.

2   Toen de benauwdheid dreigend op mij viel
en angsten voor het doodsrijk mij bekropen,
heb ik de naam des Heren aangeroepen
en weende; Heer mijn God, bewaar mijn ziel!

3   Hij is goedgunstig in gerechtigheid,
Hij wil zich altijd over ons ontfermen.
Zijn kracht kwam mij, eenvoudige, beschermen.
Rust nu, mijn ziel, de Heer heeft u bevrijd.

4   O God, mijn God, die van de dood mij redt,
mijn tranen afwist! Voor het oog des Heren
mag ik weer vrij in 's levens land verkeren,
geen steen die stoot waar ik mijn voeten zet.

5   O 'k heb geloofd, ik wist het wel dat Gij
nog met mij waart in 't diepst van mijn benauwen,
toen 'k in mijn angst geen mens meer kon vertrouwen
en leugen werd wat men mij troostend zei.

6   Hoe zal ik naar geloften, toen gedaan,
nu danken voor de redding van mijn leven?
Ik heb de kelk van 's Heren heil geheven
en noem voor heel het volk zijn grote naam.

7   De dood van een die Hem is toegewijd
staat God te duur. O Heer, mijns levens hoeder,
uw dienstknecht ben ik, dienstmaagd was mijn moeder.
Uw eigen ben ik, Gij hebt mij bevrijd!

8   Voor 't oog van al de zijnen zal ik Hem
offers van dank naar mijn beloften brengen,
in 's Heren voorhof mijn gejubel mengen
met uw lofprijzingen, Jeruzalem.
Terug naar boven

Psalmen uit het Liedboek voor de Kerken (1973)