Liederen van Hanna Lam

Zes bundels van Hanna Lam en Wim ter Burg

De muziek is te vinden op de pagina van ‘De Lichtboei’

 

Bundel 1:

101   102   103   104   105   106   107   108   109   110   111   112   113   114   115   116   117   118   119   120   121   122   123   124   125   126   127   128   129   130  

Bundel 2:

201   202   203   204   205   206   207   208   209   210   211   212   213   214   215   216   217   218   219   220   221   222   223   224   225   226   227   228   229   230

Bundel 3:

301   302   303   304   305   306   307   308   309   310   311   312   313   314   315   316   317   318   319   320   321   322   323   324   325   326   327   328   329   330

Bundel 4:

401   402   403   404   405   406   407   408   409   410   411   412   413   414   415   416   417   418   419   420   421   422   423   424   425   426   427   428   429   430

Bundel 5:

501   502   503   504   505   506   507   508   509   510   511   512   513   514   515   516   517   518   519   520   521   522   523   524   525   526   527   528   529   530   531   532   533

Bundel 6:

601   602   603   604   605   606   607   608   609   610   611   612   613   614   615

 

 

 

LIED 101: 1-6

1

  In het begin lag de aarde verloren,

  in het begin in de duisternis;

  God sprak zijn woord en het licht werd geboren,

  't licht dat vandaag onze dag nog is.

2

  In het begin zijn de wolken en luchten,

  in het begin is de hemel ontstaan.

  God sprak zijn woord en de wateren vluchtten:

  zo bracht Hij scheiding en ruimte aan.

3

  In het begin is de aarde geboren,

  in het begin uit de diepte der zee.

  In het begin kwam het gras en de bomen,

  bloeiden de bloemen en graasde het vee.

4

  In het begin zijn de sterren gaan branden,

  in het begin kwam de zon en de maan.

  Boven het land en de zee en de stranden

  wijzen zij wegen en tijden aan.

5

  In het begin kwamen vogels gevlogen,

  in het begin werd hun lied al gehoord.

  Vissen in 't water, wat leeft op het droge:

  God schiep de dieren, elk naar hun soort.

6

  In het begin riep God mensen tot leven,

  in het begin was het woord in hun mond.

  Wat was het goed om op aarde te leven,

  wat was God blij dat de wereld bestond.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 102: 1-3

1

  De aarde lag verloren

  in leegte en donkerheid.

  Toen is het licht geboren,

  licht van de eeuwigheid.

  Het duister werd doorbroken,

  de dag kwam en de nacht.

  God heeft zijn woord gesproken

  en alles voortgebracht.

2

  De wolken en de luchten,

  de aarde en de zee,

  de bomen en de vruchten,

  de bloemen en het vee.

  De lichten aan de hemel,

  de vogels in het gras,

  het water vol gewemel;

  God zag hoe goed het was.

3

  Toen kwam de mens tot leven,

  een mens aan God gelijk.

  De macht werd hem gegeven

  over het dierenrijk.

  De taal werd hem tot teken,

  de aarde werd zijn land,

  aan niets zou 't hem ontbreken,

  want God was op zijn hand.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 103: 1-5

1

  Het water steeg wel hoog,

  maar wonder boven wonder

  ging Noach niet ten onder,

  de ark alleen bleef droog,

  de ark alleen bleef droog.

2

  De dieren gingen mee,

  de groten en de kleinen

  met Noach en de zijnen.

  De dieren twee aan twee.

  De dieren twee aan twee.

3

  Zij dreven maanden rond.

  Toen ging het water zakken,

  de duif vond groene takken,

  de ark liep aan de grond.

  De ark liep aan de grond.

4

  De aarde was er weer.

  En mens en dier mocht wonen

  onder de groene bomen,

  in vrede met de Heer.

  In vrede met de Heer.

5

  De regenboog staat hoog,

  als teken voor de volken,

  Gods woorden te vertolken:

  het land, het land blijft droog,

  het land, het land blijft droog.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 104: 1-3

1

  Weet je wat, weet je wat,

  zeiden ze in Babelstad:

  Laten wij een toren maken,

  om elkaar niet kwijt te raken.

  Bouwen gaan we groot en klein,

  tot we in de wolken zijn.

2

  Allemaal, allemaal

  spraken zij dezelfde taal:

  laat de wind ons niet verdrijven,

  laat ons bij de toren blijven.

  Want dat bundelt onze kracht,

  torenhoog wordt onze macht.

3

  Hoor je dat, hoor je dat,

  Babel werd een babbelstad.

  Want de Heer der mensenkind’ren

  kwam dat stoute plan verhind'ren

  Hij verwarde toen hun spraak

  en de torenbouw liep spaak.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 105: 1-7

1

  Jakob is gekomen

  diep in de woestijn,

  om van God te dromen

  en een kind te zijn.

2

  Vluchtend voor zijn vader,

  vluchtend voor het recht,

  zag hij daar die ladder

  loodrecht opgericht

3

  en de hemelboden

  gingen op en neer;

  met gesloten ogen

  zag hij daar de Heer,

4

  met gesloten oren

  hoorde hij zijn naam,

  dat hij was geboren

  om voor God te staan.

5

  Zo is hij verenigd

  met zijn voorgeslacht

  en hij werd gereinigd

  in de zwarte nacht,

6

  toen hij lag te slapen

  aan de hemelpoort,

  God zal niet verlaten

  wie Hem toebehoort

7

  en Hij zal hem geven

  kind aan huis te zijn,

  overvloedig leven

  diep in de woestijn.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 106: 1-5

1

  Jozef zoekt zijn grote broers,

  alle tien zijn ze jaloers,

  op zijn jas en op zijn dromen,

  als ze Jozef aan zien komen,

  wordt zijn mantel afgerukt.

  Diep zit Jozef in de put.

2

  Met een slavenkaravaan

  moet hij naar Egypte gaan.

  Alle dromen zijn vergeten,

  heel veel kwaad wordt hem verweten.

  Jozef die onschuldig is

  komt in de gevangenis.

3

  Lange jaren gaan voorbij,

  maar de Heer is hem nabij.

  Nieuwe dromen worden wakker

  door de schenker en de bakker.

  Maar de schenker, hij vergeet

  al wat Jozef voor hem deed.

4

  Farao hoog op zijn troon

  droomt een wonderlijke droom.

  Daarom laat hij Jozef komen

  en dan worden alle dromen

  van de koe en korenaar

  en de maan en sterren waar.

5

  God heeft alles omgekeerd,

  Jozef wordt als vorst vereerd,

  en het kwade valt in duigen

  en de broers ze moeten buigen:

  zo houdt God door Jozefs hand

  't volk van Israël in stand.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 107: 1-3

1

  Vannacht zal het wonder gebeuren,

  wij hebben het lam reeds geslacht,

  zijn bloed streken wij aan de deuren,

  Egypte zal huis aan huis treuren,

  maar wij gaan op reis deze nacht,

  maar wij gaan op reis deze nacht.

2

  Wij moeten ons brood haastig eten.

  Het is weliswaar niet goed gaar,

  maar wat hindert dat, nu wij weten

  dat de Heer ons niet heeft vergeten,

  met mantels al aan staan wij klaar,

  met mantels al aan staan wij klaar.

3

  Vannacht komen wij weer tot leven,

  en gaan in een lange stoet,

  naar 't land dat de Heer ons zal geven,

  waar geen zweep meer wordt opgeheven,

  waar wij leven in overvloed,

  waar wij leven in overvloed.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 108: 1-3

1

  Met Mozes zijn wij meegegaan,

  omdat de Heer ons riep.

  Wij zijn op weg naar Kanaän

  maar 't water is zo diep.

  En farao in onze rug,

  hij wil zijn slaven weer terug.

  Daar komen de soldaten al,

  wij zitten in de val.

2

  O Mozes, roep toch tot de Heer,

  het water is zo diep.

  Er is voor ons geen uitweg meer,

  het water is zo diep.

  Waar is 't beloofde paradijs?

  Is dit het einde van de reis

  dat wij verdrinken in de zee?

  Waarom nam jij ons mee?

3

  Maar Mozes heft zijn staf omhoog:

  al is het water diep,

  de wind steekt op, de zee wordt droog.

  En Hij, die zelf ons riep,

  Hij brengt ons naar de overkant,

  Hij leidt ons naar 't beloofde land.

  Maar farao met heel zijn stoet

  gaat onder in de vloed.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 109: 1-6

1

  De koning van Egypteland

  trok al zijn legers saam.

  Ons lot was echter in Gods hand.

  Geprezen zij zijn Naam!

  Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,

  het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.

  Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,

  het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.

2

  Hun ruiters zaten hoog te paard,

  hun wagens reden snel.

  Maar hoger nog verheven is

  die streed voor Israël.

  Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,

  het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.

  Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,

  het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.

3

  De aarde dreunde van geweld,

  de lucht zag zwart van stof,

  Maar met ons was de sterke held.

  Zing, Israël, zijn lof.

  Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,

  het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.

  Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,

  het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.

4

  Zijn adem baande ons een pad,

  de wind werd bondgenoot.

  De vijand echter vond zijn graf

  in 't water van de dood.

  Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,

  het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.

  Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,

  het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.

5

  Voor altijd worden man en paard

  verzwolgen in de vloed.

  Maar rondom is de naam vermaard

  van Hem die wond'ren doet.

  Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,

  het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.

  Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,

  het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.

6

  Looft nu de Heer met snarenspel

  en heft de tamboerijn,

  want Hij verloste Israël.

  Geprezen moet Hij zijn.

  Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,

  het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.

  Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,

  het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 110: 1-3

1

  Jericho, Jericho,

  is een sterke stad, dat zie je zo!

  Als wij Jericho niet winnen,

  komen wij het land niet binnen,

  en ons volk zal blijven staan,

  aan de poort van Kanaän

  Jericho, Jericho,

  is een sterke stad, dat zie je zo!

2

  Jericho, Jericho,

  is een sterke stad, dat zie je zo!

  God geeft Jozua een teken:

  trek de stad om zonder spreken,

  doe dat zeven dagen lang,

  Ik strijd voor u, wees niet bang.

  Jericho, Jericho,

  is een sterke stad, dat zie je zo!

3

  Jericho, Jericho,

  is een sterke stad, dat zie je zo!

  Maar als de bazuinen schallen,

  gaan wij juichen met zijn allen,

  en de muren, dubbeldik,

  vallen in elkaar van schrik.

  Jericho, Jericho,

  is een sterke stad, dat zie je zo!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 111: 1-4

1

  De grote mensen durven niet,

  heel Israël is bang,

  voor Goliath, de grote reus,

  die sterk is en heel lang.

2

  Daar staat hij midden in het dal,

  hij lacht hen uit en spot:

  Waar blijft de man die vechten zal,

  en waar is jullie God?

3

  Maar David met zijn herdersstok

  gaat helemaal alleen

  de berg af naar die grote reus

  en doodt hem met zijn steen.

4

  Reus Goliath, reus Goliath,

  't is uit met jouw geweld,

  want David heeft op God vertrouwd,

  en David is een held.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 112: 1-5

1

  Jona heeft God wel verstaan,

  maar hij stoort er zich niet aan.

  Jona gaat heel eigenwijs

  met een grote boot op reis.

  Maar de Heer zegt: nee, nee, nee,

  Jona moet naar Ninevé.

  Maar de Heer zegt: nee, nee, nee,

  Jona moet naar Ninevé!

2

  Midden op de oceaan

  komt zijn schip in een orkaan.

  Jona wordt van boord gezet,

  maar een vis heeft hem gered

  Want de Heer zegt: nee, nee, nee,

  Jona moet naar Ninevé!

3

  Na drie dagen duisternis

  komt hij heelhuids uit de vis,

  Jona gaat nu wel op pad,

  naar die goddeloze stad.

  Want de Heer zegt: nee, nee, nee,

  Jona moet naar Ninevé!

4

  Ninevé hoort Jona aan

  en de mensen zijn ontdaan:

  zitten neer in zak en as,

  dagenlang wordt er gevast.

  En de Heer zegt: nee, nee, nee,

  sparen zal ik Ninevé.

5

  Jona uit de grote vis

  ziet dat God vol liefde is.

  O, wat is die Jona kwaad,

  Dat de stad haar straf ontgaat.

  Maar de Heer zegt: nee, nee, nee,

  wees toch blij om Ninevé!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 113: 1-7

1

  De koning der Perzen schreef een gebod:

  vanaf de dag van heden,

  ben ik uw koning en ook uw God:

  tot mij moet worden gebeden.

2

  Maar Daniël trok er zich niets van aan.

  hij bad zoals alle eeuwen

  het volk van Israël had gedaan;

  en zo kwam hij bij de leeuwen.

3

  De leeuwen diep in de leeuwenkuil

  zijn niet op hem afgesprongen,

  zij bogen hun kop en hielden zich schuil;

  en Daniël heeft gezongen.

4

  Hij zong voor God het hoogste lied,

  de leeuwen lagen te gapen.

  Maar koning Darius had verdriet,

  hij kon die nacht niet slapen.

5

  Heel vroeg is hij naar de kuil gegaan,

  hij wilde het zeker weten.

  O Daniël, kun je mij wel verstaan

  of ben je opgegeten?

6

  Nee koning, ik leef in de leeuwenkuil,

  het is of ik sta te dromen.

  Een engel van God sloot de leeuwenmuil

  en niets is mij overkomen!

7

  Toen werden de rollen omgekeerd,

  een nieuw gebod werd gegeven,

  en Israëls God werd hoog geëerd,

  die Daniël deed leven.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 114: 1-3

1

  De hemel heeft een lied doen horen:

  de aarde wordt weer paradijs.

  God heeft zijn hart aan ons verloren,

  het kind in Bethlehem geboren,

  is daarvan eeuwig het bewijs.

2

  Wie zal ons van Gods liefde scheiden?

  Dit kind, dat komt in 's Heren naam,

  wil als een koning voor ons strijden,

  en als een herder ons geleiden,

  als lam voor ons ter slachting gaan.

3

  Nu stroomt het licht de wereld binnen.

  nu zien wij hoe God overwint.

  Het leven gaat opnieuw beginnen

  wanneer wij ons, met ziel en zinnen,

  gewonnen geven aan dit kind.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 115: 1-4

1

  Van alle mensen deze moeder

  gekust heeft Gods gezicht,

  als in de plaats van beestenvoeder

  Hij in de kribbe ligt.

2

  Van alle schepsels deze dieren

  verkoren zijn geweest

  gastvrij te zijn en mee te vieren

  dit uitgebannen feest.

3

  Van alle dingen deze doeken

  zijn leden hielden warm.

  Heer Jezus vond in alle hoeken

  geen enkel huis zo arm.

4

  Het duurste geschenk ligt niet in watten.

  God heeft het zo gewild.

  Een stenen trog mag nu bevatten

  die onze honger stilt.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 116: 1-3

1

  Herders, heb je 't wel verstaan:

  Christus is geboren.

  Herders, laat je schaapjes gaan,

  hoor de eng'lenkoren

  zingen nu het hoogste lied:

  God vergeet de mensen niet.

  Laat je kudde alleen,

  ga naar Bethlehem

  ineen kribbe moet je zoeken

  't kindje in de doeken.

2

  Wijzen, heb je 't wel verstaan:

  Christus is geboren.

  Tussen zon en tussen maan

  is zijn ster gaan gloren.

  Trek nu naar dat verre land,

  met geschenken in je hand.

  Hoe de reis zal gaan

  wijst de ster wel aan.

  In een kribbe moet je zoeken

  't kindje in de doeken.

3

  Mensen, heb je 't wel verstaan:

  Christus is geboren.

  't Lieve leven vangt nu aan

  voor wie hem behoren.

  Want de vrede van de Heer

  daalde op de aarde neer.

  Wij zijn niet alleen,

  ga naar Bethlehem heen.

  In een kribbe moet je zoeken

  't kindje in de doeken.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 117: 1-7

1

  De wijzen, de wijzen,

  die gingen samen reizen,

  vertrouwend op een koningsster,

  zij wisten niet hoe ver.

2

  Zij volgden het teken,

  de dagen werden weken,

  dan klopt een rijke karavaan

  bij de paleispoort aan.

3

  O koning wil ons horen:

  er is een prins geboren,

  in 't Oosten is zijn ster gezien,

  staat hier zijn wieg misschien?

4

  Herodes, hij hoorde

  verschrikt naar deze woorden.

  Een koningszoon bij mij in huis?

  U bent beslist abuis.

5

  De wijzen, de wijzen,

  die moesten verder reizen,

  de ster ging als een lichtend spoor

  naar Bethlehem hen voor.

6

  Zij hebben het gevonden

  het kind door God gezonden,

  Dat koning en dat knecht wil zijn

  van ieder, groot en klein.

7

  De wijzen, die weten

  van sterren en planeten,

  die baden nu in zonnelicht

  en doen hun ogen dicht.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 118: 1-5

1

  Te Kana werd een feest gevierd,

  Maria was erbij.

  Ook Jezus wou ter bruiloft gaan.

  Hij was een mens als wij.

  Geef ons te drinken, Heer.

  Schenk ons uw Geest.

  Breng ons tesamen

  op uw bruiloftsfeest.

2

  En als er goed gedronken is

  komt er gebrek aan wijn.

  Wie zal nu voor zijn vrienden

  de ware wijnstok zijn?

  Geef ons te drinken, Heer.

  Schenk ons uw Geest.

  Breng ons tesamen

  op uw bruiloftsfeest.

3

  Maria sprak: De wijn is op,

  er is geen drinken meer.

  Wat is er tussen u en Mij?

  sprak Jezus onze Heer.

  Geef ons te drinken, Heer.

  Schenk ons uw Geest.

  Breng ons tesamen

  op uw bruiloftsfeest.

4

  Maria sprak de knechten aan

  als had zij 't niet gehoord.

  Doe alles wat hij zeggen zal,

  geloof Hem op zijn woord.

  Geef ons te drinken, Heer.

  Schenk ons uw Geest.

  Breng ons tesamen

  op uw bruiloftsfeest.

5

  En Jezus sprak de knechten aan:

  Vul alle kruiken maar.

  Toen werd voor 't eerst op aarde

  Zijn glorie openbaar.

  Geef ons te drinken, Heer.

  Schenk ons uw Geest.

  Breng ons tesamen

  op uw bruiloftsfeest.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 119: 1-4

1

  Aan de oever van het meer,

  luist'ren velen naar de Heer.

  Maar zij zijn de tijd vergeten,

  en er is haast niets te eten.

  Meester, stuur de mensen vlug,

  allemaal naar huis terug.

2

  Waarom geeft hij hun geen brood?

  Heer, de schare is te groot,

  en wij hebben niets te missen

  dan vijf broden en twee vissen,

  en waar komt het geld vandaan

  als wij eten kopen gaan?

3

  Breng het eten dat er is,

  breng het brood en breng de vis.

  Want al zijn wij hier met velen,

  eerlijk zullen w' alles delen:

  Here zegen deze spijs,

  en bewaar ons straks op reis.

4

  Zo kreeg iedereen zijn deel

  en er was zelfs brood teveel.

  Niemand zat met lege handen,

  't overschot ging in twaalf manden.

  En het was voor allemaal

  't wonderlijkste avondmaal.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 120: 1-2

1

  Laat de kind'ren tot mij komen,

  alle alle kind'ren.

  Laat de kind'ren tot mij komen,

  niemand mag ze hind'ren.

  Want de poorten van mijn rijk

  staan voor kind’ren open,

  laat ze allen groot en klein

  bij mij binnen lopen.

2

  Laat de mensen tot mij komen

  over alle wegen.

  Laat de mensen tot mij komen,

  houdt ze toch niet tegen!

  Want de poorten van mijn rijk

  gaan ook voor hen open,

  als ze aan een kind gelijk

  bij mij binnen lopen.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 121: 1-5

1

  De herder heeft zich niet vergist,

  de schapen zijn geteld.

  Maar een klein schaapje wordt vermist,

  dat dwaalt nog op het veld.

2

  De herder neemt zijn stok en staf

  en zoekt het overal.

  Kwam er een wolf op 't schaapje af,

  of maakte het een val?

3

  Het is al donker en al laat

  als Hij het schaapje vindt.

  Hij streelt het zacht en is niet kwaad,

  maar draagt het als een kind.

4

  Hij draagt het op zijn sterke rug

  ver buiten de woestijn.

  Hij brengt het naar zijn kooi terug,

  daar zal het veilig zijn.

5

  Al is het schaapje eigenwijs

  en gaat het honderd keer

  niet met de kudde mee op reis,

  de herder zoekt het weer.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 122: 1-3

1

  Er was eens een koning,

  die gaf een heel groot feest;

  zijn vrienden zouden komen,

  maar niemand is geweest,

  zij lieten allen weten:

  hoe zeer het ons ook spijt,

  om nu te komen eten

  hebben wij echt geen tijd.

2

  De koning zond zijn boden

  toen weer uit het paleis:

  De rijken die ik noodde,

  stellen op 't feest geen prijs,

  ga daarom naar de wegen,

  haal blinden van de straat

  en stakkers uit de stegen,

  nog is het niet te laat.

3

  geef hun de ereplaatsen,

  nu gaan de armen voor,

  de eersten worden laatsten,

  maar 't feest, het feest gaat door!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 123: 1-4

1

  Meisjes dwaas, meisjes wijs,

  gingen met elkaar op reis,

  want zij hadden 't nieuws vernomen,

  dat de bruidegom zou komen.

  Zingend staan zij aan de kant,

  met een lichtje in hun hand.

2

  Maar waarom, maar waarom,

  komt hij niet de bruidegom?

  En de kleine lampjes kwijnen,

  en de vreugde gaat verdwijnen.

  Heeft dit wachten nog wel zin?

  Alle meisjes slapen in.

3

  Onverwachts, onverwachts,

  komt Hij toch, te middernacht.

  Wakker wordend uit hun dromen,

  hebben vijf hun lamp genomen,

  gaan de naderende stoet,

  vrolijk zingend tegemoet.

4

  Maar helaas, maar helaas,

  zijn die and're meisjes dwaas.

  Want zij hebben moet je weten

  olie voor het licht vergeten.

  Eenzaam staan zij aan de kant,

  met een lampje dat niet brandt.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 124: 1-5

1

  Er is geen plaats, er is geen plaats,

  Zacheüs is te klein.

  Maar haastig klimt hij in een boom,

  om er toch bij te zijn.

2

  Daar zit die kleine tollenaar,

  daar zit hij, hoog en droog.

  De mensen kunnen hem niet zien,

  maar Jezus kijkt omhoog.

3

  Zacheüs, waarom schuil je weg,

  zo angstig als een muis?

  Zacheüs, kom vlug uit je boom

  en breng mij in jouw huis.

4

  Zacheüs gaat met Jezus mee,

  de mensen zijn verrast.

  Zacheüs is een tollenaar,

  en Jezus is zijn gast.

5

  Want Jezus, die de mensen kent,

  Hij roept ze bij hun naam:

  De ware Zoon van Abraham

  laat niemand buiten staan!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 125: 1-4

1

  Klim in de hoogste bomen,

  pluk alle takken kaal;

  de Koning onzer dromen

  zal naar het paasfeest komen,

  begroet Hem allemaal,

  begroet Hem allemaal.

2

  Vertel op alle wegen,

  dat Hij in aantocht is.

  Hij brengt ons heil en zegen,

  geen vijand houdt Hem tegen,

  geen macht die sterker is.

  geen macht die sterker is.

3

  Vlag met de groene twijgen

  en maak voor Hem ruim baan!

  Wij, die naar de vrede hijgen,

  wij kunnen niet meer zwijgen:

  Zijn koninkrijk breekt aan!

  Zijn koninkrijk breekt aan!

4

  Gooi nu maar opgetogen

  de mantels op de grond:

  Hosanna in de hoge!

  Wij maken erebogen:

  Gezegend Hij die komt!

  Gezegend Hij die komt!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 126: 1-3

1

  Nu graf en steen getuigen,

  dat Hij is opgestaan,

  moet elke knie zich buigen

  en alle harten juichen:

  het nieuwe Rijk breekt aan.

2

  Hoor hoe de vogels zingen

  boven het open graf,

  als eens, in den beginne,

  toen God aan alle dingen

  leven en adem gaf.

3

  Nu is de dood gestorven,

  de duisternis gezwicht.

  God houdt zich niet verborgen,

  Hij brengt op deze morgen

  het leven aan het licht.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 127: 1-7

1

  Jezus deed de dood teniet.

  Zing daarom het hoogste lied.

  De Heer is waarlijk opgestaan,

  halleluja!

2

  Vrouwen uit Jeruzalem,

  kwamen vroeg en zochten Hem.

  De Heer is waarlijk opgestaan,

  halleluja!

3

  En hoe groot was hun verdriet,

  want zij vonden Jezus niet.

  De Heer is waarlijk opgestaan,

  halleluja!

4

  Maar een engel sprak hen aan:

  Die gij zoekt is opgestaan.

  De Heer is waarlijk opgestaan,

  halleluja!

5

  Denkt toch aan zijn eigen woord,

  dat gij vroeger hebt gehoord.

  De Heer is waarlijk opgestaan,

  halleluja!

6

  Hij, die grote mensenzoon,

  gaat door 't graf heen naar zijn troon.

  De Heer is waarlijk opgestaan,

  halleluja!

7

  Zoekt Hem bij de doden niet,

  maar zingt mee het hoogste lied.

  De Heer is waarlijk opgestaan,

  halleluja!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 128: 1-4

1

  't Is feest vandaag, 't is pinksterfeest,

  wij staan in vuur en vlam,

  want Hij, die bij ons is geweest,

  werkt verder aan zijn plan.

2

  Wij weten het nu zonneklaar:

  al ging Hij van ons heen,

  wat Hij belooft heeft, maakt Hij waar;

  wij zijn niet meer alleen.

3

  Wij gaan op weg, de wereld rond,

  er is geen houden aan.

  De woorden gaan van mond tot mond,

  voor ieder te verstaan.

4

  De wonderen zijn om ons heen,

  ze waaien op de wind.

  't Is feest vandaag, voor iedereen:

  een nieuwe tijd begint!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 129: 1-3

1

  Komt, laat ons vrolijk zingen

  tot God die alles schiep;

  die bloemen, vissen vogels

  uit niet tot leven riep;

  met nevels als een sluier

  de groene aarde tooit;

  zijn dauw als vreugdeparels

  over de velden strooit.

2

  Die heuvels schiep en dalen

  waar Hij de aard' betrad;

  die zon en maan en sterren

  tot licht gaf op ons pad.

  Looft Hem die ook de mensen

  tot vreugd geschapen heeft,

  en die ons onze schulden

  om Jezus' wil vergeeft.

3

  O God, die ons in Christus

  een machtig Vader zijt,

  verlos ons van het kwade,

  nu en in eeuwigheid.

  Leer ons als kind’ren leven

  en spelen in uw hof

  en met de eng'len zingen

  Uw glorie en Uw lof.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 130: 1-6

1

  Nu gaan de bloemen nog dood,

  nu gaat de zon nog onder.

  En geen mens kan zonder

  water en zonder brood.

  Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,

  de hemel en de aarde.

  Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,

  de hemel en de aarde.

2

  Nu ben je soms nog alleen.

  Nu moet je soms nog huilen

  en als je weg wilt schuilen

  kun je haast nergens heen.

  Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,

  de hemel en de aarde.

  Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,

  de hemel en de aarde.

3

  Nu heb je nooit genoeg.

  Nu blijf je steeds iets missen

  en in het ongewisse

  of je ooit krijgt wat je vroeg.

  Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,

  de hemel en de aarde.

  Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,

  de hemel en de aarde.

4

  Daar is geen zon en geen maan.

  Daar zal God ons verlichten.

  Daar zullen alle gezichten

  vol van zijn heerlijkheid staan.

  Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,

  de hemel en de aarde.

  Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,

  de hemel en de aarde.

5

  Daar is geen dorst of verdriet.

  Daar zal God ons omgeven.

  Daar is gelukkig leven

  en het eindigt niet.

  Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,

  de hemel en de aarde.

  Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,

  de hemel en de aarde.

6

  Zing voor de eeuwige dag.

  Zing voor zijn komst en zeg Amen.

  Zing voor de Heer die ons samen

  daar al van eeuwigheid zag.

  Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,

  de hemel en de aarde.

  Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw,

  de hemel en de aarde.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 201: 1-3

1

  Wanneer ik naar Uw hemel kijk,

  wat voel mij dan klein!

  Wanneer de gouden maan daar prijkt,

  overal waar sterren zijn,

  dan weet ik Heer, zij allen gaan

  de door U aangewezen baan.

  De hemel, Heer, prijst wijd en zijd

  Uw naam en majesteit.

2

  Wanneer ik naar Uw hemel kijk,

  wat voel ik mij dan klein!

  Maar U zegt dat ik op U lijk,

  mijn vader wilt U zijn.

  O Heer, wat is een mensenkind,

  dat U hem zo geweldig vindt,

  en dat U steeds weer naar Hem vraagt,

  en hem op handen draagt!

3

  Wanneer ik naar Uw hemel kijk,

  wat voel ik mij dan klein!

  Maar heel de aarde is mijn rijk,

  hier mag ik koning zijn,

  over de vogels en het vee,

  en alle vissen in de zee.

  De aarde, Heer, prijst wijd en zijd

  Uw naam en majesteit.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 202: 1-3

1

  Zet nu de deur maar open:

  de aarde is weer droog.

  Zet nu de deur maar open

  en laat de dieren lopen

  onder de regenboog.

2

  Zing voor de Heer der Heren:

  wij staan op vaste grond.

  Zing voor de Heer der Heren

  die 't water wist te keren;

  Hij sluit een nieuw verbond.

3

  Zolang de mensen leven,

  de aarde zal bestaan.

  Zolang de mensen leven

  zal regen zegen geven;

  geprezen zij Zijn naam.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 203: 1-3

1

  Abraham, Abraham,

  verlaat je land, verlaat je stam!

  Abraham, je moet gaan wonen

  in het land dat Ik zal tonen.

  Tel de sterren in de nacht,

  zo groot wordt jouw nageslacht.

2

  Abraham, Abraham,

  verlaat je land, verlaat je stam!

  Ik zal jou Mijn zegen geven,

  je geleiden allerwegen,

  en de volkeren tezaam

  vinden zegen in jouw naam.

3

  Abraham, Abraham,

  verlaat zijn land, verlaat zijn stam!

  Met een woord gaat hij het wagen.

  Zonder verder iets te vragen

  staat hij op en gaat op reis,

  langs de weg die God hem wijst.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 204: 1-4

1

  Een ladder naar de sterren,

  een toren naar het licht,

  ziet Jakob in zijn dromen

  hemelhoog opgericht.

2

  De engelen, zij lopen,

  zij lopen af en aan;

  de grenzen zijn doorbroken,

  God noemt hem bij zijn naam:

3

  Ik zal je niet verlaten,

  al vlucht je voor 't gevaar.

  Aan jou en aan jouw kinderen,

  maak ik mijn woorden waar.

4

  Dit land zal ik je geven,

  waarop je dromend ligt.

  Wees zeker van Mijn zegen,

  de hemel is niet dicht.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 205: 1-4

1

  Klein, klein kindje,

  je leven loopt gevaar.

  Ik maak een biezen mandje

  en morgen is het klaar

2

  Klein, klein kindje,

  dit mandje wordt een boot.

  Daarmee moet jij gaan varen

  op leven of op dood.

3

  Klein, klein kindje,

  ik zet je tussen het riet.

  Wie weet gebeurt het wonder

  dat de prinses je ziet.

4

  Klein, klein kindje,

  als de prinses jou vindt,

  dan gaat je boot niet onder;

  jij bent een koningskind.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 206: 1-3

1

  Zomaar te gaan met een stok in je hand,

  zonder te weten

  wat je zult eten.

  Zomaar te gaan met een stok in je hand;

  eindeloos ver is 't beloofde land.

2

  Zomaar te gaan, wordt het leven of dood?

  Altijd maar banger,

  duurt het nog langer?

  Zomaar te gaan, wordt het leven of dood?

  In de woestijn worden kinderen groot.

3

  Zomaar te gaan, met Zijn woord als bewijs,

  altijd maar lopen,

  altijd maar hopen.

  Zomaar te gaan met Zijn woord als bewijs;

  straks wonen wij in een paradijs.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 207: 1-5

1

  Simson, Simson,

  alle Filistijnen

  verdwijnen, verdwijnen

  als jij komt!

  als jij komt!

  Simson met je lange haren,

  niemand kan jou evenaren,

  Simson wat is jouw geheim?

  Niemand krijgt je klein!

2

  Toen een leeuw kwam aangeslopen,

  ben je niet hard weggelopen.

  Zonder zwaard en zonder speer

  sloeg jij hem terneer.

3

  Bij de vijand opgesloten,

  brak je alle poorten open,

  en je nam ze op je rug:

  haal ze maar terug!

4

  Niemand durft jou uit te dagen,

  duizend man heb jij verslagen,

  duizend mannen sloeg jij raak,

  met een ezelskaak.

5

  Simson met je lange haren,

  niemand kan jou evenaren.

  Als je waakt bij jouw geheim,

  krijgt geen mens je klein.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 208: 1-3

1

  Samuël hoort 's nachts een stem,

  hoort een stem, die roept om hem.

  Eli heeft hem zeker nodig,

  maar zijn komst is overbodig.

  Eli, die al bijna sliep,

  Eli was het niet die riep.

2

  Samuël hoort 's nachts een stem,

  hoort een stem, die roept om hem.

  Eli, die hem weer hoort komen,

  Eli weet, dit zijn geen dromen.

  't Is de God van Israël,

  en Hij roept om Samuël!

3

  Samuël hoort 's nachts een stem,

  hoort een stem, die roept om hem.

  Samuël loopt door de tempel,

  Samuël knielt op de drempel.

  En daar wacht hij op Gods woord:

  Spreek Heer, want Uw dienstknecht hoort!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 209: 1-5

1

  In Israël, dat God vergeet,

  weerklinkt de stem van de profeet:

  omdat dit volk God niet meer eert,

  maar zich tot Baal heeft gekeerd;

  geen dauw, geen regen valt er,

  tot heel Israël zegt: de Heer is God!

2

  In Israël, dat God vergeet,

  weerklinkt de stem van de profeet:

  besef dan toch, o volk in nood,

  dat baal stenen geeft voor brood.

  Er komt een eind aan Gods geduld,

  kies heden, wie gij dienen zult!

3

  In Israël, dat God vergeet,

  weerklinkt de stem van God vergeet:

  wij richten op de Karmeltop

  van hout en steen een altaar op.

  Hij, die met vuur antwoorden zal,

  Hij is de God van Israël!

4

  De baalpriesters in een kring

  roepen tot aan de schemering:

  o baal, god van de natuur,

  o baal, antwoord ons met vuur!

  Elia drijft met hen de spot:

  de Heer is God, de Heer is God!

5

  In Israël, dat God vergeet,

  weerklinkt de stem van de profeet:

  Elia bidt tot God, de Heer,

  het vuur daalt van de hemel neer.

  In Israël weet iedereen:

  de Heer is God, De Heer alleen!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 210: 1-5

1

  De mensen die gaan in het duister,

  die wonen in 't land van de dood,

  zij zullen een licht zien stralen;

  het hemelse morgenrood.

2

  Zij zullen weer zingen van vreugde,

  de angst en de nood zijn voorbij,

  geen vijand marcheert door de straten,

  de kinderen spelen weer vrij.

3

  De stok die hen sloeg is gebroken,

  geen mens wordt vertrapt of verdrukt.

  Zij krijgen weer tijd van leven,

  er is een begin van geluk!

4

  Want er is een prins geboren,

  met prachtige namen gekroond.

  En hij is de vorst van de vrede,

  de God die bij de mensen woont.

5

  Hij brengt het leven op aarde

  terecht in zijn koninkrijk.

  De mensen die gaan in het duister,

  die worden de koning te rijk.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 211: 1-5

1

  Daar komt de man uit Anathot,

  hij deelt de woorden uit van God:

  HOOR HET WOORD DES HEREN,

  WIJ MOETEN ONS BEKEREN.

  Maar niemand luistert naar zijn stem,

  in heel Jeruzalem.

2

  Het volk is doof, het volk is blind,

  het slaat de woorden in de wind:

  HOOR HET WOORD DES HEREN:

  WIJ MOETEN ONS BEKEREN!

  Voor vreemde goden knielt het neer;

  vergeten is de Heer.

3

  Waarom, o volk van Israël,

  waarom is God niet meer in tel?

  HOOR HET WOORD DES HEREN:

  WIJ MOETEN ONS BEKEREN!

  Hij die ons riep in de woestijn,

  wil onze Vader zijn!

4

  De kruik breekt stuk, de kruik breekt stuk,

  de scherven brengen geen geluk:

  HOOR HET WOORD DES HEREN:

  WIJ MOETEN ONS BEKEREN!

  Jeruzalem zal ondergaan.

  Er is geen redden aan.

5

  Daar komt de man uit Anathot,

  hij deelt de woorden uit van God:

  HOOR HET WOORD DES HEREN:

  WIJ MOETEN ONS BEKEREN.

  Maar niemand luistert naar zijn stem,

  in heel Jeruzalem.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 212: 1-4

1

  Toen Jona in de walvis zat,

  diep in de zee beneden.

  Toen Jonas in de walvis zat,

  heeft hij tot God gebeden.

2

  Hij schreeuwde boven het water uit,

  zijn roep klonk door de golven:

  o God, de zee heeft mij tot buit,

  ik ben al haast bedolven.

3

  Ik zit gevangen in een vis,

  ik tast hier in het duister.

  Er is geen hoop voor mij, hier is

  geen mens die naar mij luistert!

4

  Toen Jona in de walvis zat,

  zo hopeloos verlaten.

  Toen Jona in de walvis bad,

  trok God hem uit het water.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 213: 1-3

1

  Eer zij God in onze dagen,

  eer zij God in deze tijd.

  Mensen van het welbehagen,

  roept op aarde vrede uit.

  Gloria in excelsis Deo.

2

  Eer zij God die onze Vader

  en die onze Koning is.

  Eer zij God die op de aarde

  naar ons toegekomen is.

  Gloria in excelsis Deo.

3

  Lam van God, Gij hebt gedragen

  alle schuld tot elke prijs,

  geef in onze levensdagen

  peis en vree, kyriëleis.

  Gloria in excelsis Deo

 

Terug naar boven

 

 

LIED 214: 1-3

1

  Er roept een man in de woestijn,

  wie zou dat zijn, wie zou dat zijn?

  Die man in vreemde kleren

  is de profeet des Heren!

  De mensen, overal vandaan,

  doopt hij in de Jordaan.

2

  Een stem roept in de wildernis:

  dat 't rijk van God in aantocht is!

  breek daarom met het kwade,

  God let op onze daden.

  Maak voor Hem uit een rechte baan,

  een weg die Hij kan gaan.

3

  Ook Jezus komt naar de Jordaan,

  tussen de mensen gaat Hij staan,

  en als Hij zich laat dopen,

  zet God de hemel open:

  een duif daalt uit de hoge neer

  op Jezus onze Heer.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 215: 1-4

1

  Wij hebben op de fluit gespeeld

  en dansten hand in hand.

  Wij hebben op de fluit gespeeld

  en zongen een lied van lief en leed,

  maar jij stond aan de kant,

  maar jij stond aan de kant.

2

  Wij blazen weer de fluiten aan;

  er is een nieuw begin!

  Wij blazen weer de fluiten aan,

  kom haastig van je plaats vandaan;

  kom binnen in de kring!

3

  Wij zingen nu een nieuwe wijs

  en dansen hand in hand.

  Wij zingen nu een nieuwe wijs:

  ga met ons mee, wij zijn op reis

  naar het beloofde land!

4

  Het lied van ons verlangen gaat

  de hele wereld rond.

  Het lied van ons verlangen gaat

  door elke stad, door elke straat,

  tot de Messias komt!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 216: 1-5

1

  De gasten wachten binnen,

  wat moeten wij beginnen?

  Er is geen wijn meer in de kan!

  Maria hoort ervan.

2

  Maria zegt tot Jezus

  die met haar op het feest is:

  hoe kan er nu een bruiloft zijn,

  een bruiloft zonder wijn?

3

  Maar Jezus zegt: haal water

  en vul daarmee de vaten

  en schep de wijn met vreugde uit;

  wij drinken op de bruid.

4

  En alle gasten drinken,

  de gloria’s weerklinken;

  in Kana gaat de bruiloft door,

  daar zorgde Jezus voor.

5

  Want Jezus openbaarde

  Zijn heerlijkheid op aarde;

  Hij doet geen water bij de wijn

  maar maakt van water wijn.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 217: 1-3

1

  De golven, wild en groot,

  zij stormden op ons aan,

  ons scheepje was in nood.

  maar wij zijn niet vergaan.

2

  Want Jezus was aan boord,

  de storm werd overstemd

  door zijn betreffend woord,

  dat wind en water temt.

3

  De ze erkend' haar Heer,

  in al Zijn heerlijkheid.

  De golven knielden neer

  voor zoveel majesteit.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 218: 1-2

1

  Kleine dochter van Jaïrus

  ben je van het spelen moe?

  Kleine dochter van Jaïrus

  zijn voor goed je ogen toe?

  Hoor, je vader roept een man,

  die je wakker maken kan.

2

  Kleine dochter van Jaïrus,

  Jezus staat al voor de poort.

  Kleine dochter van Jaïrus:

  Jezus heeft het laatste woord.

  Hoor..., Hij roept je bij je naam!

  Het is tijd om op te staan

 

Terug naar boven

 

 

LIED 219: 1-4

1

  Ik moet de eerste wezen,

  als 't water golven gaat.

  Ik wil zo graag genezen,

  maar ik kom steeds te laat

2

  Ik slijt hier al mijn dagen,

  geen mens kijkt naar mij om,

  en niemand wil mij dragen,

  mij dopen in de bron.

3

  Heer Jezus, kom naar voren,

  zeg dat ik op mag staan,

  en laat mij nieuwgeboren

  het leven binnengaan.

4

  Dan is het leed geleden,

  dan zing ik in de zon.

  O Jezus, hoor mijn bede,

  o Jezus, wees mijn bron.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 220: 1-3

1

  Een vader had twee zonen;

  de een ging ver van huis,

  ging in de vreemde wonen,

  hij bleef niet langer thuis.

  En al het geld dat hij bezat,

  verbraste hij daar in de stad.

  Toen kwam er hongersnood

  en hij zat bij de varkens neer

  en had geen stukje brood.

2

  Een zoon ging naar zijn vader:

  een arme bedelaar.

  Berouwvol klam hij nader,

  de vader stond al klaar.

  Hij liep hem haastig tegemoet,

  en heeft hem weer als zoon begroet.

  Al was hij alles kwijt,

  de vader richtte een feestmaal aan,

  en maakte hem geen verwijt.

3

  Een vader had twee zonen;

  de een bleef buiten staan,

  hij wou niet binnenkomen,

  niet naar het feestmaal gaan.

  Hij vond zijn jongste broer te slecht,

  toen wees zijn vader hem terecht:

  Jij bent altijd bij mij,

  maar deze zoon die dood was, leeft!

  Kom binnen, wees toch blij.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 221: 1-3

1

  Jezus die ons is voorgegaan,

  barmhartige Samaritaan.

  U heeft het zelf tot ons gezegd:

  de naaste ligt op onze weg.

  Maar wij gaan aan de overzij,

  vaak achteloos aan hem voorbij.

2

  Jezus die ons is voorgegaan,

  barmhartige Samaritaan.

  wij zien de anderen soms niet.

  Al zijn wij kind’ren van het licht,

  wij hebben de ogen vaak dicht.

3

  Jezus die ons is voorgegaan,

  barmhartige Samaritaan.

  Wij moeten langs de wegen gaan,

  de mensen bijstaan in Gods naam

  Wij moeten doen zoals U deed,

  en helpen in lief en leed.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 222: 1-2

1

  Er zit een blinde bij de poort,

  de poort van Jericho.

  Hij heeft van Jezus' komst gehoord,

  en daarom roept hij zo:

  Zoon van David, kijk naar mij:

  Kyriëleis!

  Jezus, loop mij niet voorbij:

  Kyriëleis!

2

  En Jezus heeft die roep verstaan,

  Hij zegt niet: zwijg maar stil!

  Hij roept hem van zijn plaats vandaan,

  en geeft hem wat hij wil.

  Zoon van David, kijk naar mij:

  Kyriëleis!

  Jezus, loop mij niet voorbij:

  Kyriëleis!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 223: 1-4

1

  Nu moet gij allen vrolijk zijn,

  de bomen zingen in de tuin,

  het lege graf verzwijgt het niet,

  de mond geopend voor een lied;

  Halleluja! Halleluja! Halleluja!

2

  De boze woorden zijn verstomd,

  de wereld die op adem komt,

  juicht met de vogels in de lucht,

  dat nu de nacht is weggevlucht;

  Halleluja!

3

  Geen vlammend zwaard verspert de weg,

  de engel die het voerde, zegt

  dat alle leed geleden is,

  en dat de Heer verrezen is;

  Halleluja!

4

  O goede engel bij het graf,

  de lente lost de winter af,

  bewaak het jonge groen en wijs

  de ingang van het paradijs:

  Halleluja!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 224: 1-4

1

  De vissers op het meer,

  zij visten tevergeefs;

  de dag kwam al in zicht,

  de netten bleven leeg.

2

  De dag kwam al in zicht,

  maar iemand op het strand riep:

  Gooi de netten uit,

  vis aan de rechterkant!

3

  De vissers op het meer,

  gehoorzaamden die stem.

  De netten stroomden vol,

  en zij herkenden hem.

4

  De netten stroomden vol,

  net als die and'ren keer.

  Johannes riep het uit:

  't Is Jezus! 't is de Heer.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 225: 1-4

1

  Gods adem die van boven kwam zet

  hart en ziel in vuur en vlam en

  opent ons de oren dat wij zijn

  tongval horen.

2

  De tongen zijn van wind en vuur,

  het Woord is brandend van natuur,

  het loopt door alle landen

  en opent mond en handen.

3

  Het Woord wordt wijd en zijd verstaan.

  het trekt zich alle dingen aan.

  het doet ons ademhalen

  en maakt ons wel ter tale.

4

  Luister, dat ademend geluid.

  God zaait de wind des Geestes uit

  om straks een storm te oogsten,

  de lof des allerhoogsten.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 226: 1-3

1

  Een schare die niemand kan tellen,

  uit ieder volk en elke stam;

  een schare die niemand kan tellen,

  zag ik voor de troon zich stellen,

  voor de troon van God en het lam.

2

  Men heeft hen bespot en verraden,

  zij zijn vervolgd en onderdrukt.

  Nu dragen zij witte gewaden,

  God heeft hen verlost van het kwade.

  Zij zingen het uit van geluk.

3

  Zij zullen geen honger meer lijden,

  de zon brandt niet meer op hun hoofd.

  Het lam zal zijn schapen zelf weiden,

  naar de bron van het leven leiden,

  en hun tranen worden gedroogd!

 

Terug naar boven

 

 

LIED 227: 1-3

1

  O lieve Heer, ik ben zo blij,

  de duisternis verdween,

  de donkere nacht is weer voorbij.

  Uw licht staat om mij heen.

2

  Dank, dat ik voor Uw aangezicht,

  de lieve lange dag,

  met alle kind’ren van het licht

  spelen en zingen mag.

3

  O lieve Heer, ik ben zo blij

  dat U mij steeds omringt.

  U bent niet ver, U bent dichtbij,

  dichtbij elk mensenkind.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 228: 1-2

1

  Kijk eens om je heen,

  kijk eens om je heen,

  geef elkaar een hand,

  je bent niet alleen.

  Want wij moeten samen delen,

  samen zingen, samen spelen.

  Ook al zijn wij nog maar klein:

  Samen spelen is pas fijn!

2

  Kijk eens om je heen,

  kijk eens om je heen,

  wij zijn in de wereld niet alleen.

  God kent ieder kind bij name,

  zeg maar ja en zeg maar amen.

  Ook al zijn we nog maar klein,

  God wil onze Vader zijn.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 229: 1-3

1

  De vogels in de bomen,

  zij zingen hun lied.

  De vogels in de bomen

  verzwijgen U niet.

  Zij stijgen de hemel

  een eind tegemoet

  en brengen in beurtzang

  hun Schepper een groet.

2

  De engelen daarboven,

  zij zingen steeds door.

  De engelen daarboven,

  zij zingen ons voor.

  Zij loven de Heer

  en wij zingen hen na:

  Het ere zij God

  in de gloria.

3

  De mensen op de aarde,

  zij krijgen pas stem

  wanneer zij weer gaan zingen

  ter ere van Hem,

  die steeds met Zijn liefde

  het leven bekroont,

  en die op het lied

  van zijn kinderen woont.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 230: 1-3

1

  De dag gaat nu bij ons vandaan,

  hij vlucht achter de bomen;

  De avondster is opgegaan:

  de nacht zal spoedig komen.

2

  Ook als de wereld donker ziet:

  De Heer is in ons midden!

  de duisternis verbergt Hem niet;

  Hij hoort de kind’ren bidden.

3

  Hij houdt het kwaad van ons vandaan,

  bij hem zijn wij geborgen.

  Wij kunnen rustig slapen gaan,

  en wachten op de morgen.

 

Terug naar boven

 

 

LIED 301: 1-3

1

  Mijn knecht, ga er op uit,

  zoek voor mijn zoon een bruid.