Zes
bundels van Hanna Lam en Wim ter Burg
De muziek is te
vinden op de pagina van ‘De
Lichtboei’
Bundel
1:
101
102 103 104 105 106 107 108 109 110
111 112 113 114 115 116 117 118 119 120
121 122 123 124 125 126 127 128 129 130
Bundel
2:
201
202 203 204 205 206 207 208 209 210
211 212 213 214 215 216 217 218 219 220
221 222 223 224 225 226 227 228 229 230
Bundel
3:
301
302 303 304 305 306 307 308 309 310
311 312 313 314 315 316 317 318 319 320
321 322 323 324 325 326 327 328 329 330
Bundel
4:
401
402 403 404 405 406 407 408 409 410
411 412 413 414 415 416 417 418 419 420
421 422 423 424 425 426 427 428 429 430
Bundel
5:
501
502 503 504 505 506 507 508 509 510
511 512 513 514 515 516 517 518 519 520
521 522 523 524 525 526 527 528 529 530
531 532 533
Bundel
6:
601
602 603 604 605 606 607 608 609 610
611 612 613 614 615
1
In het begin lag de aarde
verloren,
in het begin in de
duisternis;
God sprak zijn woord en het licht werd
geboren,
't licht dat vandaag onze dag nog
is.
2
In het begin zijn de wolken en
luchten,
in het begin is de hemel
ontstaan.
God sprak zijn woord en de wateren
vluchtten:
zo bracht Hij scheiding en ruimte
aan.
3
In het begin is de aarde
geboren,
in het begin uit de diepte der
zee.
In het begin kwam het gras en de
bomen,
bloeiden de bloemen en graasde het
vee.
4
In het begin zijn de sterren gaan
branden,
in het begin kwam de zon en de
maan.
Boven het land en de zee en de
stranden
wijzen zij wegen en tijden
aan.
5
In het begin kwamen vogels
gevlogen,
in het begin werd hun lied al
gehoord.
Vissen in 't water, wat leeft op het
droge:
God schiep de dieren, elk naar hun
soort.
6
In het begin riep God mensen tot
leven,
in het begin was het woord in hun
mond.
Wat was het goed om op aarde te
leven,
wat was God blij dat de wereld
bestond.
LIED
102: 1-3
1
De aarde lag
verloren
in leegte en
donkerheid.
Toen is het licht
geboren,
licht van de
eeuwigheid.
Het duister werd
doorbroken,
de dag kwam en de
nacht.
God heeft zijn woord
gesproken
en alles
voortgebracht.
2
De wolken en de
luchten,
de aarde en de
zee,
de bomen en de
vruchten,
de bloemen en het
vee.
De lichten aan de
hemel,
de vogels in het
gras,
het water vol
gewemel;
God zag hoe goed het
was.
3
Toen kwam de mens tot
leven,
een mens aan God
gelijk.
De macht werd hem
gegeven
over het
dierenrijk.
De taal werd hem tot
teken,
de aarde werd zijn
land,
aan niets zou 't hem
ontbreken,
want God was op zijn
hand.
LIED
103: 1-5
1
Het water steeg wel
hoog,
maar wonder boven
wonder
ging Noach niet ten
onder,
de ark alleen bleef
droog,
de ark alleen bleef
droog.
2
De dieren gingen
mee,
de groten en de
kleinen
met Noach en de
zijnen.
De dieren twee aan
twee.
De dieren twee aan
twee.
3
Zij dreven maanden
rond.
Toen ging het water
zakken,
de duif vond groene
takken,
de ark liep aan de
grond.
De ark liep aan de
grond.
4
De aarde was er
weer.
En mens en dier mocht
wonen
onder de groene
bomen,
in vrede met de
Heer.
In vrede met de
Heer.
5
De regenboog staat
hoog,
als teken voor de
volken,
Gods woorden te
vertolken:
het land, het land blijft
droog,
het land, het land blijft
droog.
LIED
104: 1-3
1
Weet je wat, weet je
wat,
zeiden ze in
Babelstad:
Laten wij een toren
maken,
om elkaar niet kwijt te
raken.
Bouwen gaan we groot en
klein,
tot we in de wolken
zijn.
2
Allemaal, allemaal
spraken zij dezelfde
taal:
laat de wind ons niet
verdrijven,
laat ons bij de toren
blijven.
Want dat bundelt onze
kracht,
torenhoog wordt onze
macht.
3
Hoor je dat, hoor je
dat,
Babel werd een
babbelstad.
Want de Heer der
mensenkind’ren
kwam dat stoute plan
verhind'ren
Hij verwarde toen hun
spraak
en de torenbouw liep
spaak.
LIED
105: 1-7
1
Jakob is gekomen
diep in de
woestijn,
om van God te
dromen
en een kind te
zijn.
2
Vluchtend voor zijn
vader,
vluchtend voor het
recht,
zag hij daar die
ladder
loodrecht
opgericht
3
en de hemelboden
gingen op en neer;
met gesloten ogen
zag hij daar de
Heer,
4
met gesloten oren
hoorde hij zijn
naam,
dat hij was
geboren
om voor God te
staan.
5
Zo is hij verenigd
met zijn
voorgeslacht
en hij werd
gereinigd
in de zwarte
nacht,
6
toen hij lag te
slapen
aan de hemelpoort,
God zal niet
verlaten
wie Hem toebehoort
7
en Hij zal hem
geven
kind aan huis te
zijn,
overvloedig leven
diep in de
woestijn.
LIED
106: 1-5
1
Jozef zoekt zijn grote
broers,
alle tien zijn ze
jaloers,
op zijn jas en op zijn
dromen,
als ze Jozef aan zien
komen,
wordt zijn mantel
afgerukt.
Diep zit Jozef in de
put.
2
Met een
slavenkaravaan
moet hij naar Egypte
gaan.
Alle dromen zijn
vergeten,
heel veel kwaad wordt hem
verweten.
Jozef die onschuldig
is
komt in de
gevangenis.
3
Lange jaren gaan
voorbij,
maar de Heer is hem
nabij.
Nieuwe dromen worden
wakker
door de schenker en de
bakker.
Maar de schenker, hij
vergeet
al wat Jozef voor hem
deed.
4
Farao hoog op zijn
troon
droomt een wonderlijke
droom.
Daarom laat hij Jozef
komen
en dan worden alle
dromen
van de koe en
korenaar
en de maan en sterren
waar.
5
God heeft alles
omgekeerd,
Jozef wordt als vorst
vereerd,
en het kwade valt in
duigen
en de broers ze moeten
buigen:
zo houdt God door Jozefs
hand
't volk van Israël in
stand.
LIED
107: 1-3
1
Vannacht zal het wonder
gebeuren,
wij hebben het lam reeds
geslacht,
zijn bloed streken wij aan de
deuren,
Egypte zal huis aan huis
treuren,
maar wij gaan op reis deze
nacht,
maar wij gaan op reis deze
nacht.
2
Wij moeten ons brood haastig
eten.
Het is weliswaar niet goed
gaar,
maar wat hindert dat, nu wij
weten
dat de Heer ons niet heeft
vergeten,
met mantels al aan staan wij
klaar,
met mantels al aan staan wij
klaar.
3
Vannacht komen wij weer tot
leven,
en gaan in een lange
stoet,
naar 't land dat de Heer ons zal
geven,
waar geen zweep meer wordt
opgeheven,
waar wij leven in
overvloed,
waar wij leven in
overvloed.
LIED
108: 1-3
1
Met Mozes zijn wij
meegegaan,
omdat de Heer ons
riep.
Wij zijn op weg naar
Kanaän
maar 't water is zo
diep.
En farao in onze
rug,
hij wil zijn slaven weer
terug.
Daar komen de soldaten
al,
wij zitten in de
val.
2
O Mozes, roep toch tot de
Heer,
het water is zo
diep.
Er is voor ons geen uitweg
meer,
het water is zo
diep.
Waar is 't beloofde
paradijs?
Is dit het einde van de
reis
dat wij verdrinken in de
zee?
Waarom nam jij ons
mee?
3
Maar Mozes heft zijn staf
omhoog:
al is het water
diep,
de wind steekt op, de zee wordt
droog.
En Hij, die zelf ons
riep,
Hij brengt ons naar de
overkant,
Hij leidt ons naar 't beloofde
land.
Maar farao met heel zijn
stoet
gaat onder in de
vloed.
LIED
109: 1-6
1
De koning van
Egypteland
trok al zijn legers
saam.
Ons lot was echter in Gods
hand.
Geprezen zij zijn
Naam!
Zingt de Heer, want Hij is hoog
verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in
zee.
Zingt de Heer, want Hij is hoog
verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in
zee.
2
Hun ruiters zaten hoog te
paard,
hun wagens reden
snel.
Maar hoger nog verheven
is
die streed voor
Israël.
Zingt de Heer, want Hij is hoog
verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in
zee.
Zingt de Heer, want Hij is hoog
verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in
zee.
3
De aarde dreunde van
geweld,
de lucht zag zwart van
stof,
Maar met ons was de sterke
held.
Zing, Israël, zijn
lof.
Zingt de Heer, want Hij is hoog
verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in
zee.
Zingt de Heer, want Hij is hoog
verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in
zee.
4
Zijn adem baande ons een
pad,
de wind werd
bondgenoot.
De vijand echter vond zijn
graf
in 't water van de
dood.
Zingt de Heer, want Hij is hoog
verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in
zee.
Zingt de Heer, want Hij is hoog
verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in
zee.
5
Voor altijd worden man en
paard
verzwolgen in de
vloed.
Maar rondom is de naam
vermaard
van Hem die wond'ren
doet.
Zingt de Heer, want Hij is hoog
verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in
zee.
Zingt de Heer, want Hij is hoog
verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in
zee.
6
Looft nu de Heer met
snarenspel
en heft de
tamboerijn,
want Hij verloste
Israël.
Geprezen moet Hij
zijn.
Zingt de Heer, want Hij is hoog
verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in
zee.
Zingt de Heer, want Hij is hoog
verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in
zee.
1
Jericho, Jericho,
is een sterke stad, dat zie je
zo!
Als wij Jericho niet
winnen,
komen wij het land niet
binnen,
en ons volk zal blijven
staan,
aan de poort van
Kanaän
Jericho, Jericho,
is een sterke stad, dat zie je
zo!
2
Jericho, Jericho,
is een sterke stad, dat zie je
zo!
God geeft Jozua een
teken:
trek de stad om zonder
spreken,
doe dat zeven dagen
lang,
Ik strijd voor u, wees niet
bang.
Jericho, Jericho,
is een sterke stad, dat zie je
zo!
3
Jericho, Jericho,
is een sterke stad, dat zie je
zo!
Maar als de bazuinen
schallen,
gaan wij juichen met zijn
allen,
en de muren,
dubbeldik,
vallen in elkaar van
schrik.
Jericho, Jericho,
is een sterke stad, dat zie je
zo!
LIED
111: 1-4
1
De grote mensen durven
niet,
heel Israël is
bang,
voor Goliath, de grote
reus,
die sterk is en heel
lang.
2
Daar staat hij midden in het
dal,
hij lacht hen uit en
spot:
Waar blijft de man die vechten
zal,
en waar is jullie
God?
3
Maar David met zijn
herdersstok
gaat helemaal
alleen
de berg af naar die grote
reus
en doodt hem met zijn
steen.
4
Reus Goliath, reus
Goliath,
't is uit met jouw
geweld,
want David heeft op God
vertrouwd,
en David is een
held.
LIED
112: 1-5
1
Jona heeft God wel
verstaan,
maar hij stoort er zich niet
aan.
Jona gaat heel
eigenwijs
met een grote boot op
reis.
Maar de Heer zegt: nee, nee,
nee,
Jona moet naar
Ninevé.
Maar de Heer zegt: nee, nee,
nee,
Jona moet naar
Ninevé!
2
Midden op de
oceaan
komt zijn schip in een
orkaan.
Jona wordt van boord
gezet,
maar een vis heeft hem
gered
Want de Heer zegt: nee, nee,
nee,
Jona moet naar
Ninevé!
3
Na drie dagen
duisternis
komt hij heelhuids uit de
vis,
Jona gaat nu wel op
pad,
naar die goddeloze
stad.
Want de Heer zegt: nee, nee,
nee,
Jona moet naar
Ninevé!
4
Ninevé hoort Jona
aan
en de mensen zijn
ontdaan:
zitten neer in zak en
as,
dagenlang wordt er
gevast.
En de Heer zegt: nee, nee,
nee,
sparen zal ik
Ninevé.
5
Jona uit de grote
vis
ziet dat God vol liefde
is.
O, wat is die Jona
kwaad,
Dat de stad haar straf
ontgaat.
Maar de Heer zegt: nee, nee,
nee,
wees toch blij om
Ninevé!
LIED
113: 1-7
1
De koning der Perzen schreef een
gebod:
vanaf de dag van
heden,
ben ik uw koning en ook uw
God:
tot mij moet worden
gebeden.
2
Maar Daniël trok er zich niets van
aan.
hij bad zoals alle
eeuwen
het volk van Israël had
gedaan;
en zo kwam hij bij de
leeuwen.
3
De leeuwen diep in de
leeuwenkuil
zijn niet op hem
afgesprongen,
zij bogen hun kop en hielden zich
schuil;
en Daniël heeft
gezongen.
4
Hij zong voor God het hoogste
lied,
de leeuwen lagen te
gapen.
Maar koning Darius had
verdriet,
hij kon die nacht niet
slapen.
5
Heel vroeg is hij naar de kuil
gegaan,
hij wilde het zeker
weten.
O Daniël, kun je mij wel
verstaan
of ben je
opgegeten?
6
Nee koning, ik leef in de
leeuwenkuil,
het is of ik sta te
dromen.
Een engel van God sloot de
leeuwenmuil
en niets is mij
overkomen!
7
Toen werden de rollen
omgekeerd,
een nieuw gebod werd
gegeven,
en Israëls God werd hoog
geëerd,
die Daniël deed
leven.
LIED
114: 1-3
1
De hemel heeft een lied doen
horen:
de aarde wordt weer
paradijs.
God heeft zijn hart aan ons
verloren,
het kind in Bethlehem
geboren,
is daarvan eeuwig het
bewijs.
2
Wie zal ons van Gods liefde
scheiden?
Dit kind, dat komt in 's Heren
naam,
wil als een koning voor ons
strijden,
en als een herder ons
geleiden,
als lam voor ons ter slachting
gaan.
3
Nu stroomt het licht de wereld
binnen.
nu zien wij hoe God
overwint.
Het leven gaat opnieuw
beginnen
wanneer wij ons, met ziel en
zinnen,
gewonnen geven aan dit
kind.
LIED
115: 1-4
1
Van alle mensen deze
moeder
gekust heeft Gods
gezicht,
als in de plaats van
beestenvoeder
Hij in de kribbe
ligt.
2
Van alle schepsels deze
dieren
verkoren zijn
geweest
gastvrij te zijn en mee te
vieren
dit uitgebannen
feest.
3
Van alle dingen deze
doeken
zijn leden hielden
warm.
Heer Jezus vond in alle
hoeken
geen enkel huis zo
arm.
4
Het duurste geschenk ligt niet in
watten.
God heeft het zo
gewild.
Een stenen trog mag nu
bevatten
die onze honger
stilt.
LIED
116: 1-3
1
Herders, heb je 't wel
verstaan:
Christus is
geboren.
Herders, laat je schaapjes
gaan,
hoor de
eng'lenkoren
zingen nu het hoogste
lied:
God vergeet de mensen
niet.
Laat je kudde
alleen,
ga naar Bethlehem
ineen kribbe moet je
zoeken
't kindje in de
doeken.
2
Wijzen, heb je 't wel
verstaan:
Christus is
geboren.
Tussen zon en tussen
maan
is zijn ster gaan
gloren.
Trek nu naar dat verre
land,
met geschenken in je
hand.
Hoe de reis zal
gaan
wijst de ster wel
aan.
In een kribbe moet je
zoeken
't kindje in de
doeken.
3
Mensen, heb je 't wel
verstaan:
Christus is
geboren.
't Lieve leven vangt nu
aan
voor wie hem
behoren.
Want de vrede van de
Heer
daalde op de aarde
neer.
Wij zijn niet
alleen,
ga naar Bethlehem
heen.
In een kribbe moet je
zoeken
't kindje in de
doeken.
LIED
117: 1-7
1
De wijzen, de
wijzen,
die gingen samen
reizen,
vertrouwend op een
koningsster,
zij wisten niet hoe
ver.
2
Zij volgden het
teken,
de dagen werden
weken,
dan klopt een rijke
karavaan
bij de paleispoort
aan.
3
O koning wil ons
horen:
er is een prins
geboren,
in 't Oosten is zijn ster
gezien,
staat hier zijn wieg
misschien?
4
Herodes, hij
hoorde
verschrikt naar deze
woorden.
Een koningszoon bij mij in
huis?
U bent beslist
abuis.
5
De wijzen, de
wijzen,
die moesten verder
reizen,
de ster ging als een lichtend
spoor
naar Bethlehem hen
voor.
6
Zij hebben het
gevonden
het kind door God
gezonden,
Dat koning en dat knecht wil
zijn
van ieder, groot en
klein.
7
De wijzen, die
weten
van sterren en
planeten,
die baden nu in
zonnelicht
en doen hun ogen
dicht.
LIED
118: 1-5
1
Te Kana werd een feest
gevierd,
Maria was erbij.
Ook Jezus wou ter bruiloft
gaan.
Hij was een mens als
wij.
Geef ons te drinken,
Heer.
Schenk ons uw
Geest.
Breng ons tesamen
op uw
bruiloftsfeest.
2
En als er goed gedronken
is
komt er gebrek aan
wijn.
Wie zal nu voor zijn
vrienden
de ware wijnstok
zijn?
Geef ons te drinken,
Heer.
Schenk ons uw
Geest.
Breng ons tesamen
op uw
bruiloftsfeest.
3
Maria sprak: De wijn is
op,
er is geen drinken
meer.
Wat is er tussen u en
Mij?
sprak Jezus onze
Heer.
Geef ons te drinken,
Heer.
Schenk ons uw
Geest.
Breng ons tesamen
op uw
bruiloftsfeest.
4
Maria sprak de knechten
aan
als had zij 't niet
gehoord.
Doe alles wat hij zeggen
zal,
geloof Hem op zijn
woord.
Geef ons te drinken,
Heer.
Schenk ons uw
Geest.
Breng ons tesamen
op uw
bruiloftsfeest.
5
En Jezus sprak de knechten
aan:
Vul alle kruiken
maar.
Toen werd voor 't eerst op
aarde
Zijn glorie
openbaar.
Geef ons te drinken,
Heer.
Schenk ons uw
Geest.
Breng ons tesamen
op uw
bruiloftsfeest.
LIED
119: 1-4
1
Aan de oever van het
meer,
luist'ren velen naar de
Heer.
Maar zij zijn de tijd
vergeten,
en er is haast niets te
eten.
Meester, stuur de mensen
vlug,
allemaal naar huis
terug.
2
Waarom geeft hij hun geen
brood?
Heer, de schare is te
groot,
en wij hebben niets te
missen
dan vijf broden en twee
vissen,
en waar komt het geld
vandaan
als wij eten kopen
gaan?
3
Breng het eten dat er
is,
breng het brood en breng de
vis.
Want al zijn wij hier met
velen,
eerlijk zullen w' alles
delen:
Here zegen deze
spijs,
en bewaar ons straks op
reis.
4
Zo kreeg iedereen zijn
deel
en er was zelfs brood
teveel.
Niemand zat met lege
handen,
't overschot ging in twaalf
manden.
En het was voor
allemaal
't wonderlijkste
avondmaal.
1
Laat de kind'ren tot mij
komen,
alle alle
kind'ren.
Laat de kind'ren tot mij
komen,
niemand mag ze
hind'ren.
Want de poorten van mijn
rijk
staan voor kind’ren
open,
laat ze allen groot en
klein
bij mij binnen
lopen.
2
Laat de mensen tot mij
komen
over alle wegen.
Laat de mensen tot mij
komen,
houdt ze toch niet
tegen!
Want de poorten van mijn
rijk
gaan ook voor hen
open,
als ze aan een kind
gelijk
bij mij binnen
lopen.
LIED
121: 1-5
1
De herder heeft zich niet
vergist,
de schapen zijn
geteld.
Maar een klein schaapje wordt
vermist,
dat dwaalt nog op het
veld.
2
De herder neemt zijn stok en
staf
en zoekt het
overal.
Kwam er een wolf op 't schaapje
af,
of maakte het een
val?
3
Het is al donker en al
laat
als Hij het schaapje
vindt.
Hij streelt het zacht en is niet
kwaad,
maar draagt het als een
kind.
4
Hij draagt het op zijn sterke
rug
ver buiten de
woestijn.
Hij brengt het naar zijn kooi
terug,
daar zal het veilig
zijn.
5
Al is het schaapje
eigenwijs
en gaat het honderd
keer
niet met de kudde mee op
reis,
de herder zoekt het
weer.
LIED
122: 1-3
1
Er was eens een
koning,
die gaf een heel groot
feest;
zijn vrienden zouden
komen,
maar niemand is
geweest,
zij lieten allen
weten:
hoe zeer het ons ook
spijt,
om nu te komen
eten
hebben wij echt geen
tijd.
2
De koning zond zijn
boden
toen weer uit het
paleis:
De rijken die ik
noodde,
stellen op 't feest geen
prijs,
ga daarom naar de
wegen,
haal blinden van de
straat
en stakkers uit de
stegen,
nog is het niet te
laat.
3
geef hun de
ereplaatsen,
nu gaan de armen
voor,
de eersten worden
laatsten,
maar 't feest, het feest gaat
door!
LIED
123: 1-4
1
Meisjes dwaas, meisjes
wijs,
gingen met elkaar op
reis,
want zij hadden 't nieuws
vernomen,
dat de bruidegom zou
komen.
Zingend staan zij aan de
kant,
met een lichtje in hun
hand.
2
Maar waarom, maar
waarom,
komt hij niet de
bruidegom?
En de kleine lampjes
kwijnen,
en de vreugde gaat
verdwijnen.
Heeft dit wachten nog wel
zin?
Alle meisjes slapen
in.
3
Onverwachts,
onverwachts,
komt Hij toch, te
middernacht.
Wakker wordend uit hun
dromen,
hebben vijf hun lamp
genomen,
gaan de naderende
stoet,
vrolijk zingend
tegemoet.
4
Maar helaas, maar
helaas,
zijn die and're meisjes
dwaas.
Want zij hebben moet je
weten
olie voor het licht
vergeten.
Eenzaam staan zij aan de
kant,
met een lampje dat niet
brandt.
LIED
124: 1-5
1
Er is geen plaats, er is geen
plaats,
Zacheüs is te
klein.
Maar haastig klimt hij in een
boom,
om er toch bij te
zijn.
2
Daar zit die kleine
tollenaar,
daar zit hij, hoog en
droog.
De mensen kunnen hem niet
zien,
maar Jezus kijkt
omhoog.
3
Zacheüs, waarom schuil je
weg,
zo angstig als een
muis?
Zacheüs, kom vlug uit je
boom
en breng mij in jouw
huis.
4
Zacheüs gaat met Jezus
mee,
de mensen zijn
verrast.
Zacheüs is een
tollenaar,
en Jezus is zijn
gast.
5
Want Jezus, die de mensen
kent,
Hij roept ze bij hun
naam:
De ware Zoon van
Abraham
laat niemand buiten
staan!
LIED
125: 1-4
1
Klim in de hoogste
bomen,
pluk alle takken
kaal;
de Koning onzer
dromen
zal naar het paasfeest
komen,
begroet Hem
allemaal,
begroet Hem
allemaal.
2
Vertel op alle
wegen,
dat Hij in aantocht
is.
Hij brengt ons heil en
zegen,
geen vijand houdt Hem
tegen,
geen macht die sterker
is.
geen macht die sterker
is.
3
Vlag met de groene
twijgen
en maak voor Hem ruim
baan!
Wij, die naar de vrede
hijgen,
wij kunnen niet meer
zwijgen:
Zijn koninkrijk breekt
aan!
Zijn koninkrijk breekt
aan!
4
Gooi nu maar
opgetogen
de mantels op de
grond:
Hosanna in de
hoge!
Wij maken
erebogen:
Gezegend Hij die
komt!
Gezegend Hij die
komt!
LIED
126: 1-3
1
Nu graf en steen
getuigen,
dat Hij is
opgestaan,
moet elke knie zich
buigen
en alle harten
juichen:
het nieuwe Rijk breekt
aan.
2
Hoor hoe de vogels
zingen
boven het open
graf,
als eens, in den
beginne,
toen God aan alle
dingen
leven en adem gaf.
3
Nu is de dood
gestorven,
de duisternis
gezwicht.
God houdt zich niet
verborgen,
Hij brengt op deze
morgen
het leven aan het
licht.
LIED
127: 1-7
1
Jezus deed de dood
teniet.
Zing daarom het hoogste
lied.
De Heer is waarlijk
opgestaan,
halleluja!
2
Vrouwen uit
Jeruzalem,
kwamen vroeg en zochten
Hem.
De Heer is waarlijk
opgestaan,
halleluja!
3
En hoe groot was hun
verdriet,
want zij vonden Jezus
niet.
De Heer is waarlijk
opgestaan,
halleluja!
4
Maar een engel sprak hen
aan:
Die gij zoekt is
opgestaan.
De Heer is waarlijk
opgestaan,
halleluja!
5
Denkt toch aan zijn eigen
woord,
dat gij vroeger hebt
gehoord.
De Heer is waarlijk
opgestaan,
halleluja!
6
Hij, die grote
mensenzoon,
gaat door 't graf heen naar zijn
troon.
De Heer is waarlijk
opgestaan,
halleluja!
7
Zoekt Hem bij de doden
niet,
maar zingt mee het hoogste
lied.
De Heer is waarlijk
opgestaan,
halleluja!
LIED
128: 1-4
1
't Is feest vandaag, 't is
pinksterfeest,
wij staan in vuur en
vlam,
want Hij, die bij ons is
geweest,
werkt verder aan zijn
plan.
2
Wij weten het nu
zonneklaar:
al ging Hij van ons
heen,
wat Hij belooft heeft, maakt Hij
waar;
wij zijn niet meer
alleen.
3
Wij gaan op weg, de wereld
rond,
er is geen houden
aan.
De woorden gaan van mond tot
mond,
voor ieder te
verstaan.
4
De wonderen zijn om ons
heen,
ze waaien op de
wind.
't Is feest vandaag, voor
iedereen:
een nieuwe tijd
begint!
LIED
129: 1-3
1
Komt, laat ons vrolijk
zingen
tot God die alles
schiep;
die bloemen, vissen
vogels
uit niet tot leven
riep;
met nevels als een
sluier
de groene aarde
tooit;
zijn dauw als
vreugdeparels
over de velden
strooit.
2
Die heuvels schiep en
dalen
waar Hij de aard'
betrad;
die zon en maan en
sterren
tot licht gaf op ons
pad.
Looft Hem die ook de
mensen
tot vreugd geschapen
heeft,
en die ons onze
schulden
om Jezus' wil
vergeeft.
3
O God, die ons in
Christus
een machtig Vader
zijt,
verlos ons van het
kwade,
nu en in
eeuwigheid.
Leer ons als kind’ren
leven
en spelen in uw
hof
en met de eng'len
zingen
Uw glorie en Uw
lof.
1
Nu gaan de bloemen nog
dood,
nu gaat de zon nog
onder.
En geen mens kan
zonder
water en zonder
brood.
Stil maar, wacht maar, alles wordt
nieuw,
de hemel en de
aarde.
Stil maar, wacht maar, alles wordt
nieuw,
de hemel en de
aarde.
2
Nu ben je soms nog
alleen.
Nu moet je soms nog
huilen
en als je weg wilt
schuilen
kun je haast nergens
heen.
Stil maar, wacht maar, alles wordt
nieuw,
de hemel en de
aarde.
Stil maar, wacht maar, alles wordt
nieuw,
de hemel en de
aarde.
3
Nu heb je nooit
genoeg.
Nu blijf je steeds iets
missen
en in het
ongewisse
of je ooit krijgt wat je
vroeg.
Stil maar, wacht maar, alles wordt
nieuw,
de hemel en de
aarde.
Stil maar, wacht maar, alles wordt
nieuw,
de hemel en de
aarde.
4
Daar is geen zon en geen
maan.
Daar zal God ons
verlichten.
Daar zullen alle
gezichten
vol van zijn heerlijkheid
staan.
Stil maar, wacht maar, alles wordt
nieuw,
de hemel en de
aarde.
Stil maar, wacht maar, alles wordt
nieuw,
de hemel en de
aarde.
5
Daar is geen dorst of
verdriet.
Daar zal God ons
omgeven.
Daar is gelukkig
leven
en het eindigt
niet.
Stil maar, wacht maar, alles wordt
nieuw,
de hemel en de
aarde.
Stil maar, wacht maar, alles wordt
nieuw,
de hemel en de
aarde.
6
Zing voor de eeuwige
dag.
Zing voor zijn komst en zeg
Amen.
Zing voor de Heer die ons
samen
daar al van eeuwigheid
zag.
Stil maar, wacht maar, alles wordt
nieuw,
de hemel en de
aarde.
Stil maar, wacht maar, alles wordt
nieuw,
de hemel en de
aarde.
1
Wanneer ik naar Uw hemel
kijk,
wat voel mij dan
klein!
Wanneer de gouden maan daar
prijkt,
overal waar sterren
zijn,
dan weet ik Heer, zij allen
gaan
de door U aangewezen
baan.
De hemel, Heer, prijst wijd en
zijd
Uw naam en
majesteit.
2
Wanneer ik naar Uw hemel
kijk,
wat voel ik mij dan
klein!
Maar U zegt dat ik op U
lijk,
mijn vader wilt U
zijn.
O Heer, wat is een
mensenkind,
dat U hem zo geweldig
vindt,
en dat U steeds weer naar Hem
vraagt,
en hem op handen
draagt!
3
Wanneer ik naar Uw hemel
kijk,
wat voel ik mij dan
klein!
Maar heel de aarde is mijn
rijk,
hier mag ik koning
zijn,
over de vogels en het
vee,
en alle vissen in de
zee.
De aarde, Heer, prijst wijd en
zijd
Uw naam en
majesteit.
LIED
202: 1-3
1
Zet nu de deur maar
open:
de aarde is weer
droog.
Zet nu de deur maar
open
en laat de dieren
lopen
onder de
regenboog.
2
Zing voor de Heer der
Heren:
wij staan op vaste
grond.
Zing voor de Heer der
Heren
die 't water wist te
keren;
Hij sluit een nieuw
verbond.
3
Zolang de mensen
leven,
de aarde zal
bestaan.
Zolang de mensen
leven
zal regen zegen
geven;
geprezen zij Zijn
naam.
LIED
203: 1-3
1
Abraham, Abraham,
verlaat je land, verlaat je
stam!
Abraham, je moet gaan
wonen
in het land dat Ik zal
tonen.
Tel de sterren in de
nacht,
zo groot wordt jouw
nageslacht.
2
Abraham, Abraham,
verlaat je land, verlaat je
stam!
Ik zal jou Mijn zegen
geven,
je geleiden
allerwegen,
en de volkeren
tezaam
vinden zegen in jouw
naam.
3
Abraham, Abraham,
verlaat zijn land, verlaat zijn
stam!
Met een woord gaat hij het
wagen.
Zonder verder iets te
vragen
staat hij op en gaat op
reis,
langs de weg die God hem
wijst.
LIED
204: 1-4
1
Een ladder naar de
sterren,
een toren naar het
licht,
ziet Jakob in zijn
dromen
hemelhoog
opgericht.
2
De engelen, zij
lopen,
zij lopen af en
aan;
de grenzen zijn
doorbroken,
God noemt hem bij zijn
naam:
3
Ik zal je niet
verlaten,
al vlucht je voor 't
gevaar.
Aan jou en aan jouw
kinderen,
maak ik mijn woorden
waar.
4
Dit land zal ik je
geven,
waarop je dromend
ligt.
Wees zeker van Mijn
zegen,
de hemel is niet
dicht.
LIED
205: 1-4
1
Klein, klein
kindje,
je leven loopt
gevaar.
Ik maak een biezen
mandje
en morgen is het
klaar
2
Klein, klein
kindje,
dit mandje wordt een
boot.
Daarmee moet jij gaan
varen
op leven of op
dood.
3
Klein, klein
kindje,
ik zet je tussen het
riet.
Wie weet gebeurt het
wonder
dat de prinses je
ziet.
4
Klein, klein
kindje,
als de prinses jou
vindt,
dan gaat je boot niet
onder;
jij bent een
koningskind.
LIED
206: 1-3
1
Zomaar te gaan met een stok in je
hand,
zonder te weten
wat je zult eten.
Zomaar te gaan met een stok in je
hand;
eindeloos ver is 't beloofde
land.
2
Zomaar te gaan, wordt het leven of
dood?
Altijd maar
banger,
duurt het nog
langer?
Zomaar te gaan, wordt het leven of
dood?
In de woestijn worden kinderen
groot.
3
Zomaar te gaan, met Zijn woord als
bewijs,
altijd maar lopen,
altijd maar hopen.
Zomaar te gaan met Zijn woord als
bewijs;
straks wonen wij in een
paradijs.
LIED
207: 1-5
1
Simson, Simson,
alle Filistijnen
verdwijnen,
verdwijnen
als jij komt!
als jij komt!
Simson met je lange
haren,
niemand kan jou
evenaren,
Simson wat is jouw
geheim?
Niemand krijgt je
klein!
2
Toen een leeuw kwam
aangeslopen,
ben je niet hard
weggelopen.
Zonder zwaard en zonder
speer
sloeg jij hem
terneer.
3
Bij de vijand
opgesloten,
brak je alle poorten
open,
en je nam ze op je
rug:
haal ze maar
terug!
4
Niemand durft jou uit te
dagen,
duizend man heb jij
verslagen,
duizend mannen sloeg jij
raak,
met een ezelskaak.
5
Simson met je lange
haren,
niemand kan jou
evenaren.
Als je waakt bij jouw
geheim,
krijgt geen mens je
klein.
LIED
208: 1-3
1
Samuël hoort 's nachts een
stem,
hoort een stem, die roept om
hem.
Eli heeft hem zeker
nodig,
maar zijn komst is
overbodig.
Eli, die al bijna
sliep,
Eli was het niet die
riep.
2
Samuël hoort 's nachts een
stem,
hoort een stem, die roept om
hem.
Eli, die hem weer hoort
komen,
Eli weet, dit zijn geen
dromen.
't Is de God van
Israël,
en Hij roept om
Samuël!
3
Samuël hoort 's nachts een
stem,
hoort een stem, die roept om
hem.
Samuël loopt door de
tempel,
Samuël knielt op de
drempel.
En daar wacht hij op Gods
woord:
Spreek Heer, want Uw dienstknecht
hoort!
LIED
209: 1-5
1
In Israël, dat God
vergeet,
weerklinkt de stem van de
profeet:
omdat dit volk God niet meer
eert,
maar zich tot Baal heeft
gekeerd;
geen dauw, geen regen valt
er,
tot heel Israël zegt: de Heer is
God!
2
In Israël, dat God
vergeet,
weerklinkt de stem van de
profeet:
besef dan toch, o volk in
nood,
dat baal stenen geeft voor
brood.
Er komt een eind aan Gods
geduld,
kies heden, wie gij dienen
zult!
3
In Israël, dat God
vergeet,
weerklinkt de stem van God
vergeet:
wij richten op de
Karmeltop
van hout en steen een altaar
op.
Hij, die met vuur antwoorden
zal,
Hij is de God van
Israël!
4
De baalpriesters in een
kring
roepen tot aan de
schemering:
o baal, god van de
natuur,
o baal, antwoord ons met
vuur!
Elia drijft met hen de
spot:
de Heer is God, de Heer is
God!
5
In Israël, dat God
vergeet,
weerklinkt de stem van de
profeet:
Elia bidt tot God, de
Heer,
het vuur daalt van de hemel
neer.
In Israël weet
iedereen:
de Heer is God, De Heer
alleen!
1
De mensen die gaan in het
duister,
die wonen in 't land van de
dood,
zij zullen een licht zien
stralen;
het hemelse
morgenrood.
2
Zij zullen weer zingen van
vreugde,
de angst en de nood zijn
voorbij,
geen vijand marcheert door de
straten,
de kinderen spelen weer
vrij.
3
De stok die hen sloeg is
gebroken,
geen mens wordt vertrapt of
verdrukt.
Zij krijgen weer tijd van
leven,
er is een begin van
geluk!
4
Want er is een prins
geboren,
met prachtige namen
gekroond.
En hij is de vorst van de
vrede,
de God die bij de mensen
woont.
5
Hij brengt het leven op
aarde
terecht in zijn
koninkrijk.
De mensen die gaan in het
duister,
die worden de koning te
rijk.
LIED
211: 1-5
1
Daar komt de man uit
Anathot,
hij deelt de woorden uit van
God:
HOOR HET WOORD DES
HEREN,
WIJ MOETEN ONS
BEKEREN.
Maar niemand luistert naar zijn
stem,
in heel Jeruzalem.
2
Het volk is doof, het volk is
blind,
het slaat de woorden in de
wind:
HOOR HET WOORD DES
HEREN:
WIJ MOETEN ONS
BEKEREN!
Voor vreemde goden knielt het
neer;
vergeten is de
Heer.
3
Waarom, o volk van
Israël,
waarom is God niet meer in
tel?
HOOR HET WOORD DES
HEREN:
WIJ MOETEN ONS
BEKEREN!
Hij die ons riep in de
woestijn,
wil onze Vader
zijn!
4
De kruik breekt stuk, de kruik breekt
stuk,
de scherven brengen geen
geluk:
HOOR HET WOORD DES
HEREN:
WIJ MOETEN ONS
BEKEREN!
Jeruzalem zal
ondergaan.
Er is geen redden
aan.
5
Daar komt de man uit
Anathot,
hij deelt de woorden uit van
God:
HOOR HET WOORD DES
HEREN:
WIJ MOETEN ONS
BEKEREN.
Maar niemand luistert naar zijn
stem,
in heel Jeruzalem.
LIED
212: 1-4
1
Toen Jona in de walvis
zat,
diep in de zee
beneden.
Toen Jonas in de walvis
zat,
heeft hij tot God
gebeden.
2
Hij schreeuwde boven het water
uit,
zijn roep klonk door de
golven:
o God, de zee heeft mij tot
buit,
ik ben al haast
bedolven.
3
Ik zit gevangen in een
vis,
ik tast hier in het
duister.
Er is geen hoop voor mij, hier
is
geen mens die naar mij
luistert!
4
Toen Jona in de walvis
zat,
zo hopeloos
verlaten.
Toen Jona in de walvis
bad,
trok God hem uit het
water.
LIED
213: 1-3
1
Eer zij God in onze
dagen,
eer zij God in deze
tijd.
Mensen van het
welbehagen,
roept op aarde vrede
uit.
Gloria in excelsis
Deo.
2
Eer zij God die onze
Vader
en die onze Koning
is.
Eer zij God die op de
aarde
naar ons toegekomen
is.
Gloria in excelsis
Deo.
3
Lam van God, Gij hebt
gedragen
alle schuld tot elke
prijs,
geef in onze
levensdagen
peis en vree,
kyriëleis.
Gloria in excelsis
Deo
LIED
214: 1-3
1
Er roept een man in de
woestijn,
wie zou dat zijn, wie zou dat
zijn?
Die man in vreemde
kleren
is de profeet des
Heren!
De mensen, overal
vandaan,
doopt hij in de
Jordaan.
2
Een stem roept in de
wildernis:
dat 't rijk van God in aantocht
is!
breek daarom met het
kwade,
God let op onze
daden.
Maak voor Hem uit een rechte
baan,
een weg die Hij kan
gaan.
3
Ook Jezus komt naar de
Jordaan,
tussen de mensen gaat Hij
staan,
en als Hij zich laat
dopen,
zet God de hemel
open:
een duif daalt uit de hoge
neer
op Jezus onze
Heer.
LIED
215: 1-4
1
Wij hebben op de fluit
gespeeld
en dansten hand in
hand.
Wij hebben op de fluit
gespeeld
en zongen een lied van lief en
leed,
maar jij stond aan de
kant,
maar jij stond aan de
kant.
2
Wij blazen weer de fluiten
aan;
er is een nieuw
begin!
Wij blazen weer de fluiten
aan,
kom haastig van je plaats
vandaan;
kom binnen in de
kring!
3
Wij zingen nu een nieuwe
wijs
en dansen hand in
hand.
Wij zingen nu een nieuwe
wijs:
ga met ons mee, wij zijn op
reis
naar het beloofde
land!
4
Het lied van ons verlangen
gaat
de hele wereld
rond.
Het lied van ons verlangen
gaat
door elke stad, door elke
straat,
tot de Messias
komt!
LIED
216: 1-5
1
De gasten wachten
binnen,
wat moeten wij
beginnen?
Er is geen wijn meer in de
kan!
Maria hoort ervan.
2
Maria zegt tot
Jezus
die met haar op het feest
is:
hoe kan er nu een bruiloft
zijn,
een bruiloft zonder
wijn?
3
Maar Jezus zegt: haal
water
en vul daarmee de
vaten
en schep de wijn met vreugde
uit;
wij drinken op de
bruid.
4
En alle gasten
drinken,
de gloria’s
weerklinken;
in Kana gaat de bruiloft
door,
daar zorgde Jezus
voor.
5
Want Jezus
openbaarde
Zijn heerlijkheid op
aarde;
Hij doet geen water bij de
wijn
maar maakt van water
wijn.
LIED
217: 1-3
1
De golven, wild en
groot,
zij stormden op ons
aan,
ons scheepje was in
nood.
maar wij zijn niet
vergaan.
2
Want Jezus was aan
boord,
de storm werd
overstemd
door zijn betreffend
woord,
dat wind en water
temt.
3
De ze erkend' haar
Heer,
in al Zijn
heerlijkheid.
De golven knielden
neer
voor zoveel
majesteit.
LIED
218: 1-2
1
Kleine dochter van
Jaïrus
ben je van het spelen
moe?
Kleine dochter van
Jaïrus
zijn voor goed je ogen
toe?
Hoor, je vader roept een
man,
die je wakker maken
kan.
2
Kleine dochter van
Jaïrus,
Jezus staat al voor de
poort.
Kleine dochter van
Jaïrus:
Jezus heeft het laatste
woord.
Hoor..., Hij roept je bij je
naam!
Het is tijd om op te
staan
LIED
219: 1-4
1
Ik moet de eerste
wezen,
als 't water golven
gaat.
Ik wil zo graag
genezen,
maar ik kom steeds te
laat
2
Ik slijt hier al mijn
dagen,
geen mens kijkt naar mij
om,
en niemand wil mij
dragen,
mij dopen in de
bron.
3
Heer Jezus, kom naar
voren,
zeg dat ik op mag
staan,
en laat mij
nieuwgeboren
het leven
binnengaan.
4
Dan is het leed
geleden,
dan zing ik in de
zon.
O Jezus, hoor mijn
bede,
o Jezus, wees mijn
bron.
1
Een vader had twee
zonen;
de een ging ver van
huis,
ging in de vreemde
wonen,
hij bleef niet langer
thuis.
En al het geld dat hij
bezat,
verbraste hij daar in de
stad.
Toen kwam er
hongersnood
en hij zat bij de varkens
neer
en had geen stukje
brood.
2
Een zoon ging naar zijn
vader:
een arme bedelaar.
Berouwvol klam hij
nader,
de vader stond al
klaar.
Hij liep hem haastig
tegemoet,
en heeft hem weer als zoon
begroet.
Al was hij alles
kwijt,
de vader richtte een feestmaal
aan,
en maakte hem geen
verwijt.
3
Een vader had twee
zonen;
de een bleef buiten
staan,
hij wou niet
binnenkomen,
niet naar het feestmaal
gaan.
Hij vond zijn jongste broer te
slecht,
toen wees zijn vader hem
terecht:
Jij bent altijd bij
mij,
maar deze zoon die dood was,
leeft!
Kom binnen, wees toch
blij.
LIED
221: 1-3
1
Jezus die ons is
voorgegaan,
barmhartige
Samaritaan.
U heeft het zelf tot ons
gezegd:
de naaste ligt op onze
weg.
Maar wij gaan aan de
overzij,
vaak achteloos aan hem
voorbij.
2
Jezus die ons is
voorgegaan,
barmhartige
Samaritaan.
wij zien de anderen soms
niet.
Al zijn wij kind’ren van het
licht,
wij hebben de ogen vaak
dicht.
3
Jezus die ons is
voorgegaan,
barmhartige
Samaritaan.
Wij moeten langs de wegen
gaan,
de mensen bijstaan in Gods
naam
Wij moeten doen zoals U
deed,
en helpen in lief en
leed.
LIED
222: 1-2
1
Er zit een blinde bij de
poort,
de poort van
Jericho.
Hij heeft van Jezus' komst
gehoord,
en daarom roept hij
zo:
Zoon van David, kijk naar
mij:
Kyriëleis!
Jezus, loop mij niet
voorbij:
Kyriëleis!
2
En Jezus heeft die roep
verstaan,
Hij zegt niet: zwijg maar
stil!
Hij roept hem van zijn plaats
vandaan,
en geeft hem wat hij
wil.
Zoon van David, kijk naar
mij:
Kyriëleis!
Jezus, loop mij niet
voorbij:
Kyriëleis!
LIED
223: 1-4
1
Nu moet gij allen vrolijk
zijn,
de bomen zingen in de
tuin,
het lege graf verzwijgt het
niet,
de mond geopend voor een
lied;
Halleluja! Halleluja!
Halleluja!
2
De boze woorden zijn
verstomd,
de wereld die op adem
komt,
juicht met de vogels in de
lucht,
dat nu de nacht is
weggevlucht;
Halleluja!
3
Geen vlammend zwaard verspert de
weg,
de engel die het voerde,
zegt
dat alle leed geleden
is,
en dat de Heer verrezen
is;
Halleluja!
4
O goede engel bij het
graf,
de lente lost de winter
af,
bewaak het jonge groen en
wijs
de ingang van het
paradijs:
Halleluja!
LIED
224: 1-4
1
De vissers op het
meer,
zij visten
tevergeefs;
de dag kwam al in
zicht,
de netten bleven
leeg.
2
De dag kwam al in
zicht,
maar iemand op het strand
riep:
Gooi de netten
uit,
vis aan de
rechterkant!
3
De vissers op het
meer,
gehoorzaamden die
stem.
De netten stroomden
vol,
en zij herkenden
hem.
4
De netten stroomden
vol,
net als die and'ren
keer.
Johannes riep het
uit:
't Is Jezus! 't is de
Heer.
LIED
225: 1-4
1
Gods adem die van boven kwam
zet
hart en ziel in vuur en vlam
en
opent ons de oren dat wij
zijn
tongval horen.
2
De tongen zijn van wind en
vuur,
het Woord is brandend van
natuur,
het loopt door alle
landen
en opent mond en
handen.
3
Het Woord wordt wijd en zijd
verstaan.
het trekt zich alle dingen
aan.
het doet ons
ademhalen
en maakt ons wel ter
tale.
4
Luister, dat ademend
geluid.
God zaait de wind des Geestes
uit
om straks een storm te
oogsten,
de lof des
allerhoogsten.
LIED
226: 1-3
1
Een schare die niemand kan
tellen,
uit ieder volk en elke
stam;
een schare die niemand kan
tellen,
zag ik voor de troon zich
stellen,
voor de troon van God en het
lam.
2
Men heeft hen bespot en
verraden,
zij zijn vervolgd en
onderdrukt.
Nu dragen zij witte
gewaden,
God heeft hen verlost van het
kwade.
Zij zingen het uit van
geluk.
3
Zij zullen geen honger meer
lijden,
de zon brandt niet meer op hun
hoofd.
Het lam zal zijn schapen zelf
weiden,
naar de bron van het leven
leiden,
en hun tranen worden
gedroogd!
LIED
227: 1-3
1
O lieve Heer, ik ben zo
blij,
de duisternis
verdween,
de donkere nacht is weer
voorbij.
Uw licht staat om mij
heen.
2
Dank, dat ik voor Uw
aangezicht,
de lieve lange
dag,
met alle kind’ren van het
licht
spelen en zingen
mag.
3
O lieve Heer, ik ben zo
blij
dat U mij steeds
omringt.
U bent niet ver, U bent
dichtbij,
dichtbij elk
mensenkind.
LIED
228: 1-2
1
Kijk eens om je
heen,
kijk eens om je
heen,
geef elkaar een
hand,
je bent niet
alleen.
Want wij moeten samen
delen,
samen zingen, samen
spelen.
Ook al zijn wij nog maar
klein:
Samen spelen is pas
fijn!
2
Kijk eens om je
heen,
kijk eens om je
heen,
wij zijn in de wereld niet
alleen.
God kent ieder kind bij
name,
zeg maar ja en zeg maar
amen.
Ook al zijn we nog maar
klein,
God wil onze Vader
zijn.
LIED
229: 1-3
1
De vogels in de
bomen,
zij zingen hun
lied.
De vogels in de
bomen
verzwijgen U niet.
Zij stijgen de
hemel
een eind tegemoet
en brengen in
beurtzang
hun Schepper een
groet.
2
De engelen
daarboven,
zij zingen steeds
door.
De engelen
daarboven,
zij zingen ons
voor.
Zij loven de Heer
en wij zingen hen
na:
Het ere zij God
in de gloria.
3
De mensen op de
aarde,
zij krijgen pas
stem
wanneer zij weer gaan
zingen
ter ere van Hem,
die steeds met Zijn
liefde
het leven
bekroont,
en die op het lied
van zijn kinderen
woont.
1
De dag gaat nu bij ons
vandaan,
hij vlucht achter de
bomen;
De avondster is
opgegaan:
de nacht zal spoedig
komen.
2
Ook als de wereld donker
ziet:
De Heer is in ons
midden!
de duisternis verbergt Hem
niet;
Hij hoort de kind’ren
bidden.
3
Hij houdt het kwaad van ons
vandaan,
bij hem zijn wij
geborgen.
Wij kunnen rustig slapen
gaan,
en wachten op de
morgen.
1
Mijn knecht, ga er op
uit,
zoek voor mijn zoon een
bruid.